Vuzisme

Deel 7

Het leven

Het dak dat lekt

De eerste nacht sliep hij op de vloer bij de oven, omdat het daar warm was, en hij werd wakker omdat iemand op zijn hand stond.

Het was het kleinste kind van zijn zus, een jongen van vier, die op weg was naar de pot en niet had gekeken. Ze keken elkaar aan in het donker. Het kind deed geen moeite om zijn voet weg te halen.

"Ben jij de oom die dood was?" vroeg het kind.

"Ja," zei hij.

Het kind dacht na. "Je bent erg lang," zei het, en liep door.

Zo begon het. Er kwam geen feest. Er kwamen buren, één voor één, met een kaas of een kruik, en ze keken naar zijn ogen en zeiden dat hij goed uitzag. Er kwam een oude vrouw die hem had leren lopen, en die huilde, en vroeg hoe het in de hemel was. Hij zei dat hij er niet was geweest. Ze vond dat een goed antwoord.

Wat niemand zei, maar wat hij voelde zodra de zon op was: hij was niets waard.

Hij kon niet dragen. Zijn rug was van het zout. Hij kon niet ploegen, want hij zag de voor niet. Hij kon niet bakken: zijn zus stond voor de hanen op, en had in twee bewegingen meer deeg gekneed dan hij in een uur. Hij zat aan de tafel. Hij keek naar haar handen. Hij was dertig, en voor het eerst sinds hij twaalf was, was er niets wat hij moest halen.

Op de derde dag zette hij een emmer onder het lek in het dak, en hij voelde zich daar zo dankbaar voor dat hij zich schaamde.

"Je bent geen gast," zei zijn zus.

"Ik weet het."

"Nee. Je weet het niet. Je zit erbij alsof je moet betalen voor de stoel." Ze sloeg het deeg op de plank. "Je bent er. Dat is genoeg om te beginnen. Wat je kunt, zien we later."

7:1
Je waarde zit niet in wat je oplevert. Op de dag dat je niets kunt, ben je nog steeds een hele wereld.

Hij ging 's avonds naar de herberg bij de molen.

Het eerste jaar ging hij elke avond. Hij dronk niet veel, dacht hij. Een kroes, soms twee. Het hielp. Als hij lag, en het donker werd, dan begon het rekenen weer: een meisje, een kolom, twee tegen één. Met de kroes in zijn bloed bleef de kolom wazig, en sliep hij.

Zijn zus zei er niets van. Ze zette 's morgens water voor hem neer.

De molenaar zei er wel iets van. Hij was een korte man met meel in zijn wenkbrauwen, die alles wat hij dacht meteen zei, omdat hij vond dat dat tijd scheelde.

"Je drinkt om niet te tellen," zei hij. "Dat zie ik. Mijn vader deed dat ook."

"Het is maar een kroes."

"Dan kun je er makkelijk een maand mee stoppen."

Hij lachte. Natuurlijk kon hij dat.

Hij stopte. De eerste nacht lag hij tot de hanen wakker. De derde nacht stond hij op, in het donker, en liep tot aan de deur van de herberg, en stond daar, en ging terug. Hij herkende het. Het was de voet die verderliep langs de Zeven Lampen, maar dan andersom. Op de tiende avond zat de molenaar naast hem, aan het water, en dronk zelf niets, en vertelde over zijn vader, zonder dat hem iets was gevraagd.

Hij hield het vol, een maand. Daarna dronk hij weer, op feesten, met mate, en soms een avond niet met mate, en dan wist hij de volgende dag waarom niet. Hij deed niet alsof het goed voor hem was. Dat was het niet. Het was een kroes. Hij wist nu wat die kostte, en dat hij kon stoppen.

Er was een oude Griek die alles wat mensen willen in drie bakken legde. Sommige dingen zijn natuurlijk en nodig: brood, water, een dak, slaap. Sommige zijn natuurlijk maar niet nodig: een feestmaal, een kroes, een mooi kleed. Die mag je hebben, en je kunt zonder. En sommige zijn leeg: roem, macht, steeds meer. Die worden nooit vol, wat je er ook in gooit. Je hoeft niets te verbieden. Je moet alleen weten in welke bak het zit.

Hij begon te lopen, elke morgen, de helling op tot aan de laatste wilg, met zijn handen achter zijn rug. Eerst kwam hij niet verder dan de beek. Na een maand haalde hij de wilg. Hij at wat zijn zus hem gaf. Hij sliep wanneer hij moe was, en niet wanneer hij klaar was met tellen, want dat was hij nooit. Zijn ogen werden niet beter. Zijn rug wel een beetje. Hij leerde dat een lichaam geen tempel is, en ook geen ezel. Het is het enige huis dat je nooit kunt verlaten.

7:2
Bij elke kroes, elke gewoonte, elk genot: wat kost het jou en anderen, en kun je stoppen?
7:3
Natuurlijk en nodig, natuurlijk en niet nodig, of leeg. Weet in welke bak het zit.
7:4
Je lichaam is het enige huis dat je nooit verlaat. Zorg ervoor, zoals je zorgt voor een huis waar je kinderen slapen.

In de tweede lente vroeg de molenaar of hij kon rekenen.

"Een beetje," zei hij.

Het werd zijn werk. Hij hield bij wie welk graan bracht, en hoeveel meel er terugging, zodat niemand de molenaar kon bedriegen en de molenaar niemand. Hij deed het eerlijk. Het was voor het eerst in zijn leven dat zijn gave voor iets was wat hij hardop kon zeggen. Daarna kwamen ze ook voor andere dingen: hoe groot een akker was, wanneer het water zou zakken, hoeveel zaad je nodig had. In de winter leerde hij de kinderen letters, aan de tafel bij de oven, met meel op de plank in plaats van zout.

Het verdiende weinig. Het was genoeg.

Hij lag 's nachts niet minder wakker. Maar hij lag wakker in een huis waar een kind door de kamer liep naar de pot, en soms op zijn hand stond.

7:5
Werk is niet wat je ervoor krijgt. Werk is nuttig zijn, met wat je kunt.

Nee

In de derde zomer was hij verliefd op de dochter van de molenaar.

Ze was zo oud als zijn zus, en ze had een lach die je door de muur van de molen hoorde. Ze telde zakken met hem, en ze maakte grappen over zijn handschrift, en één keer, toen hij een fout had gemaakt die hem een halve dag had gekost, had ze haar hand op zijn arm gelegd en gezegd dat het niet erg was. Hij had die hand de hele nacht nog gevoeld.

Hij rekende het uit, natuurlijk. Hij was er goed in. Ze lachte naar hem. Ze kwam naast hem zitten. Ze had geen man. Hij was eerlijk, en had werk. Alles klopte.

Hij vroeg het haar bij de sluis, op een avond met muggen.

Ze keek hem lang aan, en ze was niet verrast. Dat was het ergste: dat ze het al had zien komen.

"Nee," zei ze.

Hij wachtte op de rest. Er kwam geen rest.

"Waarom niet?" zei hij. Hij hoorde zelf hoe het klonk.

"Dat hoef ik je niet te zeggen," zei ze, niet onvriendelijk. "Ik vind je aardig. Ik wil het niet. Dat is alles."

"Maar je..." Hij wilde zeggen: je hebt je hand op mijn arm gelegd. Je hebt naast me gezeten. Ik heb het uitgerekend.

Ze wachtte, en ze keek hem aan, en hij zag in haar ogen dat ze wist wat hij ging zeggen, en dat ze bang was voor wat er daarna zou komen. Niet voor hem, maar voor de toon. Ze had die toon vaker gehoord, van andere mannen, bij andere sluizen. Hij zag het, en het deed hem meer schrikken dan het nee.

Hij slikte het in. Het was een van de moeilijkste dingen die hij had gedaan.

"Dank je dat je het eerlijk zegt," zei hij.

Hij liep naar huis. Hij ging niet naar de herberg. Hij ging de helling op, voorbij de laatste wilg, en ging in het gras zitten, en was zo verdrietig als een jongen van vijftien, en hij was tweeëndertig. Het voelde als onrecht. Hij had het zo goed gedaan. Hij was zo eerlijk geweest.

Daar, in het gras, viel het hem op: hij had gedacht dat het een betaling was. Dat hij lang genoeg aardig moest zijn, en dan was het van hem. Hij had haar hand op zijn arm opgeteld, en haar lach, alsof het munten waren. Maar niemand had ooit gezegd dat ze van hem was. Ze had niets beloofd. Ze was gewoon aardig geweest. Dat was een geschenk. Het was geen voorschot.

Zo zit het met nee.

Iemand mag nee zeggen, en hoeft je niet te vertellen waarom. Dat doet pijn. Ga maar zitten. Het is geen onrecht.

Zeg dank je, en ga naar huis. Dat is ook liefde, maar dan voor iemand die je niet krijgt.

De volgende morgen zat hij weer in de molen en telde de zakken, en zij ook, en ze maakte geen grap over zijn handschrift. Na een week deed ze dat weer. Na een jaar trouwde ze met een visser van stroomafwaarts, een weduwnaar met grote kinderen en al een kleinkind, en hij hield de rekening bij van het feestbrood, en dat was goed.

7:6
Iemand mag nee zeggen, en hoeft je niet te vertellen waarom. Afgewezen worden is pijn, geen onrecht.
7:7
Je goedheid was geen betaling. Niemand is jou zichzelf verschuldigd.

Hij zat nog in het gras toen het donker werd, en er kwam iemand de helling af met een kudde.

Hij hoorde haar eerst: een fluit tussen twee vingers, en een hond die antwoordde. Toen kwamen de schapen, als een golf over de rand, en ze liepen om hem heen alsof hij een steen was. Een van de dieren bleef staan en at van het gras naast zijn hand.

De vrouw achter de kudde bleef ook staan. Ze was lang, met een stok en een mantel van ongeverfde wol, en ze keek op hem neer zonder iets te zeggen.

"Je zit op mijn weg," zei ze toen.

"Neem me niet kwalijk."

"Ik neem het je niet kwalijk. Je zit er alleen op." Ze keek nog even. "Je bent de broer van de bakster. Die terugkwam."

"Ja."

"Je hebt gehuild."

Hij zei niets.

Ze ging niet naast hem zitten. Ze bleef staan, met haar stok, en wachtte tot de laatste schapen voorbij waren. Toen zei ze: "Er is een ooi die niet wil lammeren. Morgen. Als je kunt tellen, kun je misschien ook vasthouden."

En ze liep door, de helling af, met haar hond.

Twee hele mensen

Ze woonde alleen op de helling, in een huis van stenen zonder kalk, met een hond en een geit en tweehonderdtwaalf schapen. Hij wist het precies, want op de tweede dag had hij ze geteld, en zij had gezegd dat hij er twee te veel had, en ze had gelijk.

Ze had altijd alleen gewoond. Ze had een man gehad, jaren geleden, kort. Hij was naar de stad gegaan en zij niet, en ze sprak er zonder spijt over, zoals je over het weer van een vorig jaar praat. De vallei vond haar vreemd. Ze kwam alleen naar beneden voor zout en voor de markt. De kinderen dachten dat ze kon toveren, en ze liet ze dat denken.

Ze had hem niet nodig.

Dat was het eerste wat hij van haar leerde, en het duurde lang voordat hij begreep dat het een geschenk was. Ze had hem niet nodig om het dak te dekken; dat deed ze zelf. Ze had hem niet nodig om te eten, of om te praten, want ze praatte tegen de hond, en de hond luisterde beter. Ze had niemand nodig. Ze was een heel mens, zoals ze daar stond, met haar stok.

Ze zeggen dat je je andere helft moet vinden. Het is een oud verhaal. Een Griek vertelde het, aan een feestmaal: dat mensen ooit rond waren, met vier armen en vier benen, en dat de goden hen doormidden sneden, en dat wij sindsdien rondlopen om onze andere helft te zoeken. Dat is wat liefde is, zei hij: het verlangen om weer heel te worden.

Het is een mooi verhaal, en het is niet waar. Je bent niet doorgesneden. Je bent heel, zoals je hier staat, ook als er niemand naast je staat. Een leven zonder iemand naast je is geen half leven.

Daarom is het zo groot als iemand elke morgen opnieuw naast je wil staan. Niet omdat het moet. Niet omdat die ander zonder jou niet kan. Dat zou gemakkelijk zijn. Die ander kan het wel zonder jou, en blijft.

Hij kwam terug voor de ooi, en daarna voor het scheren, en daarna voor niets. Hij zat bij haar vuur. Ze zeiden soms een uur niets. Hij vertelde haar dingen die hij nog aan niemand had verteld: van het zout, van het meisje, van een kist in vlammen. Ze luisterde zoals de hond luisterde, zonder iets van hem te willen. Toen hij klaar was met het verhaal van de blauwe deur, keek ze lang in het vuur.

"Dat is zwaar," zei ze. "Draag je het?"

"Ja."

"Goed." Ze gooide een stuk hout op het vuur. "Dan hoef ik het niet voor je te dragen."

Hij had nog nooit iets gehoord wat hem zo opluchtte.

7:8
Je bent geen halve mens. Een leven zonder iemand naast je is compleet.
7:9
Het grootste is niet iemand die je nodig heeft. Het is iemand die het zonder jou kan, en blijft.

Het kleine woord

Het was zij die het eerst iets zei, op een avond in de herfst, toen hij opstond om naar beneden te gaan.

"Je kunt ook blijven," zei ze.

Hij bleef staan in de deuropening. Buiten blafte de hond één keer, naar niets.

Over wat er toen gebeurde, hoef je niet alles te weten. Het is van hen. Maar één ding moet hier staan, omdat het overal geldt waar twee mensen elkaar aanraken.

Ergens in die nacht stopte ze. Ze lag stil, met haar hand op zijn borst, en er was iets in haar gezicht wat hij niet kon lezen in het licht van het vuur. Hij had genoeg gezien in de Zeven Lampen om te weten dat je een gezicht niet altijd kunt lezen. Hij had genoeg gezien in de achterkamer om te weten wat het is als iemand niet nee zegt omdat die niet durft.

"Wil je dit?" vroeg hij.

Ze keek hem aan.

"Nu niet," zei ze. "Niet zo. Ik weet het niet. Ik ben... Het is lang geleden."

Hij hield op. Hij hoefde er niet over na te denken. Hij legde zijn hand op die van haar, en het werd een nacht van liggen en praten, en van slapen tegen elkaar aan, en van wakker worden toen de hond tegen de deur duwde. Het was een van de beste nachten van zijn leven. Er gebeurde bijna niets.

Een paar weken later zei ze ja, en ze wist het zeker, en dat zag hij.

Er is een woord dat alles verandert.

Dezelfde kamer, dezelfde handen, dezelfde huid in hetzelfde licht. Zonder dat woord is het de ergste nacht van een leven. Met dat woord is het een thuis. Het woord is ja, en het moet echt zijn.

Niet ja omdat je bang bent. Niet ja omdat je het beloofd hebt. Niet ja omdat je getrouwd bent, of dronken, of omdat het al zo laat is. Niet ja omdat stilte er zo op lijkt. Een ja is vrij, wetend, gewild, en voor dit. En wie het vanavond heeft gezegd, mag het halverwege terugnemen.

In een oud liefdeslied, dat in de Joodse bijbel is bewaard, staat een regel die drie keer terugkomt, als een refrein. Wek de liefde niet, staat er, roep haar niet wakker, voordat zij het zelf wil.

Wie het niet zeker weet, vraagt. Dat is niet onhandig. Dat is liefde die let op wie er voor je staat.

7:10
Dezelfde handen zijn liefde of een misdaad. Het enige verschil is een echt ja.
7:11
Een ja geldt voor dit, en voor nu. Het is terug te nemen.
7:12
Wie het niet zeker weet, vraagt.

De belofte

Zijn zus wilde een priester.

Ze zei het zonder omwegen, met haar armen in het deeg, op de ochtend nadat hij het haar had verteld. Ze was blij. Ze had gehuild en ze had hem in zijn zij gestompt en ze had gezegd dat de herderin de enige vrouw in de vallei was die hem kon hebben, en dat het tijd werd. Daarna zei ze het.

"Ik wil dat jullie gezegend worden."

"Ik geloof daar niet in," zei hij. "Zij ook niet, denk ik. Ik weet het niet. We hebben het er nooit over gehad."

"Ik wel," zei zijn zus. Ze keek niet op. "Ik geloof er wel in. Het is jouw bruiloft. Maar je bent mijn broer. Ik heb achttien jaar voor je gebeden. Ik ga dat niet ineens niet doen."

Hij keek naar haar handen. Om haar hals hing het koordje.

Hij ging naar de helling en vertelde het de herderin. Hij dacht dat ze zou lachen. Ze lachte niet. Ze sneed een stuk kaas af, en dacht na.

"Wat zou de priester zeggen?" vroeg ze.

"Dat God ons verbindt."

"Dat is niet waar."

"Nee."

"Maar zij gelooft het."

"Ja."

Ze at de kaas op. "Laat hem dan zeggen wat hij gelooft," zei ze, "en wij zeggen wat wij beloven. Dan is er niemand die liegt."

Zo deden ze het. Het was een kleine bruiloft, in de wei bij de brug, met brood van zijn zus en kaas van de helling en een kroes voor iedereen, ook voor hem, met mate. De priester van de vallei was een jonge man die de oude woorden zei, en hij zei ze mooi. Hij legde zijn hand op hun hoofden, en de jongen liet het toe en boog zijn hoofd niet, en hield het ook niet stijf rechtop. Hij keek naar zijn zus. Ze huilde, met haar vingers aan het koordje, en ze was zo gelukkig dat het pijn deed om naar te kijken.

Toen de priester klaar was, zeiden ze zelf iets. Ze hadden er een week over gedaan, op de helling, en het was kort.

Ik kies jou.

Niet omdat de sterren het zeggen, want die zeggen niets. Niet omdat iemand ons verbindt, want er is niemand anders hier.

Ik kies jou op de dag dat je mooi bent, en op de dag dat je een hekel aan me hebt. Ik zal niet op je neerkijken. Ik zal je niet bezitten. Ik zal geen rekening bijhouden.

Ik weet niet wat de jaren met ons doen. Dat weet niemand, en ik zal niet doen alsof.

Ik kies jou. Ik zeg het je eerlijk als er iets verandert.

Het werd stil in de wei. Een oude man zei dat er een stuk ontbrak, en dat je moest zeggen voor altijd. Zijn vrouw zei dat hij zijn mond moest houden.

Later, bij het vuur, kwam zijn zus naast hem zitten.

"Dat laatste," zei ze. "Dat je het zegt als er iets verandert. Waarom zeg je dat? Op je bruiloft?"

"Omdat het de enige belofte is die ik zeker kan houden," zei hij. "Ik weet niet wie ik over twintig jaar ben. Dat wist jij ook niet, toen je trouwde. Maar ik kan beloven dat ik niet zal liegen. Wat het meest pijn doet als iemand weggaat, is niet het weggaan. Het is de leugen ervoor."

Ze dacht erover na. Ze dacht altijd overal over na.

"Ik vond het mooi," zei ze. "Ik heb voor jullie gebeden."

"Ik weet het," zei hij. "Dank je."

Zo zit het met leef en laat leven. Het is niet hetzelfde als niets zeggen. Hij liet haar bidden, en zij liet hem beloven, en geen van beiden deed alsof de ander gelijk had. Ze zaten naast elkaar bij het vuur. Er zijn mensen die denken dat dat niet kan. Het kan. Het is alleen niet makkelijk.

7:13
Ik kies jou. Ik zeg het je eerlijk als er iets verandert.
7:14
Bij ontrouw doet niet het lichaam de schade. Het zijn de gebroken belofte en de leugen.
7:15
Wie je liefhebt, is niet van jou. Liefde die bezit, is geen liefde meer.

De wolf

Op de helling leerde hij wat het is om van dieren te leven.

Hij had altijd vlees gegeten zonder erover na te denken. Het lag op de tafel, of het lag er niet. Bij de herderin lag het er bijna nooit, en als het er lag, wist hij welk dier het was geweest.

In de eerste lente hielp hij bij het lammeren. Hij zat met zijn armen tot aan zijn ellebogen in een ooi die het niet alleen kon, en hij trok een lam de kou in dat niet ademde. Zij pakte het bij de achterpoten en zwaaide het heen en weer, en wreef het met stro, en blies in de neus, en toen het hoestte, gaf ze het aan de moeder, en ze lachte, en haar handen waren rood.

Dat jaar slachtte ze een ram, in de herfst. Ze deed het zelf. Ze haalde hem 's morgens uit de kudde, toen de rest at, en leidde hem naar de schuur aan een touw, en praatte tegen hem met de stem die ze voor de hond had. Ze liet hem eten. Het mes was zo scherp dat ze er haar vingernagel mee kon scheren. Het ging snel. De ram was bang geweest voor niets, tot aan het eind. Daarna stond ze een hele tijd met haar hand op het lijf, en zei niets.

"Ik dacht dat het je niets deed," zei hij.

"Het doet me iets," zei ze. "Daarom doe ik het zelf. Als je het niet kunt aanzien, moet je je afvragen waarom je het eet."

Ze vroeg drie dingen, bij elk dier dat ze hield, en bij elk dier dat ze at. Hoe leeft het? Heeft het de zon gezien, kon het zich omdraaien, liep het met de anderen? Hoe sterft het? Zonder angst en zonder pijn, of zo min mogelijk? En wat doet het met het geheel: met de helling, met het gras, met wat er na haar kwam?

"De rest is niet aan mij," zei ze. "Ik eet. Dat doet alles wat leeft. Daar schaam ik me niet voor. Maar ik doe niet alsof het niets was."

Er is een oud boek, van een prediker, dat al wist wat de dieren zijn. Mens en dier, staat er, hebben hetzelfde lot. Zoals de een sterft, sterft de ander. Dezelfde adem zit in hen. Lang hebben mensen daarna een muur gebouwd: aan deze kant de mens, met een ziel, aan die kant de rest. Het was een handige muur. Je kunt veel doen met wat achter een muur staat. Maar er is geen ziel, en dus is er ook geen muur. Kijk een schaap in de ogen. Je hoeft niets te weten over het bewustzijn. Er kijkt iemand terug.

Wij staan hoger, zeggen we. Dat zal best. Maar wie hoger staat, ziet meer, en heeft dus meer te verantwoorden.

7:16
Wie iets kan voelen, telt mee.
7:17
Je mag het eten. Je mag niet doen alsof het niets was. Vraag: hoe leefde het, hoe stierf het, en wat doet het met het geheel?
7:18
Wie hoger staat, ziet meer, en heeft dus meer te verantwoorden.

In de tweede winter kwam de wolf.

Ze vonden drie schapen in de sneeuw boven de bron, opengescheurd, en de sporen van één dier dat ze had gevolgd langs de rand van het bos. De vallei werd bang. Zo bang had hij de vallei nooit eerder gezien, zelfs niet in het jaar van de koorts. Er waren oude mannen die zich wolven herinnerden, van hun grootvaders, en ze vertelden dat ze kinderen hadden gehaald. Het kleinzoontje van de visser ging niet meer alleen naar de beek.

De zoon van de rijkste man riep de mannen bij elkaar in de herberg. Hij had een plan. Ze zouden het bos in gaan, met honden en fakkels, en ze zouden niet ophouden tot er geen wolf meer was, in het hele bos, tot aan de bergen. Nooit meer. Er zou een beloning zijn per kop. Hij had het geld.

Iedereen keek naar de herderin. Zij had de schapen verloren. Zij moest het zeggen.

Ze stond op, met haar stok.

"Ik ga niet met jullie mee," zei ze. "De wolf die bij mijn kudde komt, die dood ik. Dat is mijn recht, en ik doe het zonder spijt. Maar ik ga niet het bos in om de laatste te halen."

Er werd gelachen.

"Ze is gek," zei iemand. "Het zijn haar schapen."

"Het zijn mijn schapen," zei ze. "En het is niet mijn bos."

Ze vertelde, staande in de herberg, wat haar grootmoeder had verteld, die ook op de helling had gewoond. Er was een tijd geweest dat ze in de volgende vallei alle wolven hadden gedood. Het jaar daarna was het een feest. Twee jaar later waren er zoveel herten dat ze alle jonge bomen langs de rivier opaten, tot aan de wortel, en de oevers vielen in, en het water werd bruin, en de vis ging weg. Ze hadden de wolf eruit gehaald, en daarmee een draad, en er bleek een heel kleed aan te hangen.

Of dat precies zo gegaan is, weten we niet. Wij weten nu meer, op sommige plaatsen: dat het verdwijnen van de wolf de herten liet groeien, en dat de bomen langs de rivier daaronder leden. Hoe groot dat was, daarover strijden geleerden nog. Maar dit staat vast: alles hangt aan alles, ook als je het niet ziet. De bij aan de bloem, de vogel aan de bij, en wij aan dat alles, ook als we in een vallei wonen en denken van niet.

"Wat er uitsterft, komt niet terug," zei de herderin. "Niet over honderd jaar, niet over duizend. Dat is het enige wat je nooit meer goed kunt maken. Ik neem een hond extra. Ik zet de schapen 's nachts in de kraal. Het kost me wat. Laat een plek over."

Ze gingen toch, de helft van de mannen. Ze kwamen terug na vier dagen, met één wolf, een oude met een kapotte poot, en de rest hadden ze niet gevonden. De zoon van de rijkste man was boos en betaalde niemand.

De jongen was niet meegegaan. Hij had de hele avond naast de herderin bij de kraal gezeten, met een fakkel, en een stok die hij niet zou kunnen gebruiken.

"Haat je hem niet?" vroeg hij. "De wolf?"

Ze keek naar het bos.

"De wolf kent geen weegschaal," zei ze. "Die eet en slaapt, en is niet slecht. Niemand heeft hem iets te vragen. Ik wel. Ik kan kiezen. Dat is de hele last van mens zijn."

Ze zweeg even.

"En de hele eer."

7:19
Verdedigen mag. Uitroeien niet.
7:20
Alles hangt aan alles. Wat uitsterft, komt niet terug. Laat een plek over.
7:21
Een dier kent geen schaal. Jij wel. Dat is de last van mens zijn, en de eer.

Die winter vertelde een koopman uit het zuiden, die bij hen schuilde voor de sneeuw, een verhaal dat ze in zijn land vertelden, over hun profeet.

Een man liep door de hitte, stervend van de dorst. Hij vond een put, klom erin en dronk. Toen hij weer boven kwam, lag daar een hond, hijgend, met zijn tong in het zand, en hij at modder van de dorst. De man dacht: dat heeft hij ook. Die heeft net zo'n dorst als ik had. Hij klom weer naar beneden, vulde zijn schoen met water, nam die tussen zijn tanden, klom omhoog en gaf de hond te drinken.

"En God dankte hem," zei de koopman, "en vergaf hem. Dat zei de profeet. Ze vroegen hem: is er dan ook loon voor wat je voor dieren doet? En hij zei: voor elk levend wezen."

De herderin gooide een stuk hout op het vuur. De koopman keek haar aan, en daarna hem, en hij zag aan hun gezicht dat ze niet geloofden in degene die vergeeft.

"Jullie geloven er niet in," zei hij.

"Nee," zei de jongen. "Maar de zin die hij dacht, die houden we."

Dat heeft hij ook.

7:22
Dat heeft hij ook.