Vuzisme

Deel 10

Het einde

Moe

Ze lag niet in bed toen hij binnenkwam. Ze zat aan tafel, met haar stok tegen de stoel, en ze had een kom melk voor zich die ze niet opdronk.

"Je bent mager," zei ze.

"Jij ook."

"Ik weet het." Ze keek naar haar handen. "Ik ben moe. Dat is alles. Ik ben al sinds de winter moe, en het gaat niet over als ik slaap."

Hij ging naast haar zitten. Hij wilde iets zeggen over de stad, over het plein, over de cel onder de haven, en het was allemaal ineens heel ver weg. Er lag een vlek van de lamp op de tafel. Hun dochter stond in de deur en keek naar hen allebei, en ging toen naar buiten, naar de schapen, omdat iemand dat moest doen.

De heelmeester kwam van stroomafwaarts, uit het stadje aan de rivier, een dag lopen. Hij was een lange man met koude handen, die zich daarvoor verontschuldigde voordat hij iemand aanraakte. Hij legde zijn handen op haar buik, en drukte, en wachtte. Toen vroeg hij of ze bloed verloor, en hoe vaak, en sinds wanneer. Toen vroeg hij of ze het wilde horen.

"Ik ben een herderin," zei ze. "Ik heb honderd dieren zien doodgaan. Zeg het."

Er zat iets in haar buik dat daar niet hoorde. Iets wat groeide, en wat niet ophield met groeien, en wat hij niet kon weghalen. Hij had het vaker gezien. Hij zei dat er geen kruid was dat het tegenhield, en geen mes dat ver genoeg kon. Hij kon iets geven tegen de pijn, als die kwam. Die zou komen.

"Hoe lang?" vroeg ze.

"Dat weet ik niet precies. Niemand weet dat precies. Als ik moet raden: de zomer. Misschien de herfst."

Ze knikte. Ze keek naar het raam, waar de helling was, en de wilg, en de schapen als stippen in het groen.

"Niet de lammeren," zei ze.

"Ik denk het niet."

Ze stond op en ging naar buiten, en ze sloeg de deur niet dicht, maar ze deed hem heel zacht dicht, en dat was erger.

Hij bleef zitten, met de heelmeester, die zijn spullen inpakte en niet wegging.

"U had het ook niet kunnen zeggen," zei de jongen. "U had kunnen zeggen dat het overgaat."

"Dat zeggen sommigen," zei de heelmeester. "Ik heb het ook gedaan, toen ik jong was. Toen ging er een man dood die zijn zoon nog iets had willen zeggen, en die dacht dat hij nog tijd had." Hij maakte zijn tas dicht. "Een leugen geeft iemand niet meer tijd. Hij neemt alleen weg dat ze weten hoeveel ze nog hebben."

10:1
Wie gaat sterven, heeft recht op de waarheid. Een leugen geeft geen tijd. Hij neemt alleen weg dat je weet hoeveel je nog hebt.

Die nacht lag hij wakker, en hij rekende. Dat deed hij altijd, als hij niets anders kon doen. Hij rekende de dagen tot de zomer. Hij rekende hoeveel dat was, als je ze naast de dagen legde die ze samen hadden gehad. Het was een klein getal.

Naast hem sliep ze. Hij hoorde haar ademen. Hij dacht aan een vrouw die hij een keer in een havenstad had horen zeggen dat het einde van de wereld eraan kwam, en dat de mensen haar hadden uitgelachen.

Het einde van de wereld komt. Het komt elke dag. Vanmorgen ging er ergens een wereld uit, met alles erin: de geur van één keuken, een lied dat niemand anders meer kende, het gezicht van een moeder zoals alleen die ene het zag. De molen draaide gewoon door.

Er is maar één wereld die jij ooit zult zien, en jij bent de enige die erin woont. Als jij sterft, gaat die wereld uit. Er gaat dan niet iemand weg uit de wereld. De wereld zelf houdt op, voor jou, met alle sterren erbij.

10:2
Elk mens is een hele wereld. Als iemand sterft, gaat er een wereld uit.

Een oude Griek, dezelfde die de verlangens in drie bakken legde, zei dat je niet bang hoeft te zijn voor de dood. Zolang jij er bent, is de dood er niet. Als de dood er is, ben jij er niet meer. Je zult hem nooit tegenkomen.

Dat is waar, en het kan helpen, voor je eigen dood. Er is niets om te voelen, aan de andere kant. Geen straf, geen vuur, geen wachten. Geen eenzaamheid in het donker, want er is niemand meer die het donker ziet.

Maar de Griek zei het over jouw dood. Hij zei niets tegen wie naast het bed zit. Want die is er wel. Die blijft. Voor die is er een stoel die leeg is, en een jas aan een haak, en een kant van het bed die koud blijft. Het is waar dat de dood niets is voor wie dood is. Voor wie overblijft, is hij bijna alles.

10:3
Je eigen dood zul je niet meemaken. Die van wie je liefhebt wel.

Wat ze nog wilde

Ze was geen goede zieke. Dat zei ze zelf.

Ze wilde niet liggen. Ze wilde niet dat iemand haar bord vulde, of haar deken rechttrok, of vroeg hoe het ging. Als de buren met soep kwamen, nam ze de soep aan en stuurde ze de buren weg. Ze was boos. Op haar buik, op de heelmeester, op de lente die gewoon begon, op de jongen omdat hij gezond was, en daarna had ze daar spijt van, en dan was ze boos omdat ze spijt had.

"Ik ga niet dapper doen," zei ze. "Ik ga niet glimlachen en zeggen dat ik een mooi leven heb gehad. Dat heb ik gehad. Maar ik wilde er nog meer van."

"Dat hoeft ook niet. Dapper doen."

"Mooi. Want ik doe het niet."

Je hoeft niet moedig te zijn als je weet dat het eindigt. Je hoeft niet klaar te zijn. Je mag bang zijn, en boos, en een slechte zieke. Doodgaan is geen proef die je kunt halen of laten zakken. Het is hoe het afloopt, voor iedereen, en niemand heeft het ooit goed gedaan.

10:4
Je hoeft niet dapper te sterven. Je mag bang zijn, en boos. Doodgaan is geen proef.

Toen de eerste woede voorbij was, maakte ze een lijst.

Ze kon niet schrijven, dus ze zei het hardop en hij schreef het op, op de achterkant van een rekening van de molen. Het was geen lange lijst. Er stonden dingen op die hij niet had verwacht.

Ze wilde nog één keer naar de zomerweide. Ze wilde honing eten, zoveel als ze wilde, want dat had ze haar hele leven niet gedaan. Ze wilde dat haar dochter leerde hoe je een ooi helpt die vastzit, met je hand, en dat kon alleen nu, in de lammertijd. Ze wilde haar zus zien.

"Je hebt een zus?"

"Ik heb een zus." Ze keek naar het raam. "In de volgende vallei. We hebben al twintig jaar niet gepraat. Om de kudde van onze vader. Ze vond dat ik te veel had genomen." Ze zweeg. "Ze had gelijk. Ik had te veel genomen."

Ze droegen haar op een kar naar de zomerweide, de molenaar en de wever en de jongen, op een warme dag aan het eind van de lente, en ze lag de hele middag in het gras bij de hut waar de wevers die winter hadden gewoond. Ze wees hun dochter aan welke ooien te oud werden, en welke rammen je moest houden, en waar de bron was die nooit droogviel. Ze at honing uit een pot, met haar vingers.

Hun dochter haalde die lente vier lammeren uit ooien die vastzaten. De eerste keer huilde ze, en de herderin zei vanaf de kar wat ze moest doen, zonder op te staan. De vierde keer zei ze niets meer. Ze keek alleen.

De zus kwam in de zomer. Een oude vrouw met hetzelfde gezicht, hardere ogen. Ze bleef staan in de deur. De herderin zat aan tafel.

"Ik had te veel genomen," zei de herderin. "Van vader. Je had gelijk. Ik heb het nooit gezegd, omdat ik dan iets had moeten teruggeven. Ik geef het nu terug." Ze schoof een buidel over de tafel. "Het is niet genoeg. Het is wat er is."

De zus keek naar de buidel en pakte hem niet. Ze kwam binnen en ging zitten. Ze bleef twee dagen. Ze praatten niet veel, en niet over de kudde, maar over hun moeder, en over een hond die ze als kinderen hadden gehad en die nooit had geleerd om te blaffen.

Toen ze wegging, lag de buidel nog op tafel.

Zeg wat je nog wilt zeggen, als je weet dat het eindigt. Ga naar wie je pijn hebt gedaan. Eet waar je zin in hebt. Leer iemand iets wat alleen jij weet. Doe het niet omdat het hoort. Doe het omdat er nog tijd voor is, en straks niet meer.

Maar wacht er niet op. Niemand weet wanneer de heelmeester komt. Wat je nog wilt zeggen, kun je ook vandaag zeggen, gezond, op een gewone dag.

10:5
Omdat het eindigt, tellen de dagen. Zeg vandaag wat je nog wilt zeggen. Je weet niet of je een lijst krijgt.

Op een middag gingen ze samen naar de oudste vrouw van de vallei, die alle liederen kende.

Ze woonde nu bij haar kleinzoon, aan de beek. Ze wist niet meer wie de jongen was, en ook niet hoe haar kleinzoon heette, en ze vroeg drie keer of de herderin de vrouw van de molenaar was. Ze dacht dat het winter was. Ze was niet bang. Ze zat bij het vuur en ze wilde koekjes.

Maar toen de herderin het eerste woord van een lied zei, een oud lied over een vrouw die haar schapen telde bij de rivier, zong de oude vrouw het af. Helemaal. Elk couplet. Ze tikte de maat met haar voet. Daarna wist ze niet meer dat ze had gezongen.

"Ze heeft geen pijn," zei haar kleinzoon, buiten bij de deur. "De priester zegt dat God haar laat gaan zoals ze moet gaan. Mijn tante zegt dat het zo geen leven is, en dat we iets moeten doen." Hij keek naar de jongen. "Wat vindt u?"

"Wat vond ze zelf? Vroeger, toen ze het nog wist?"

De kleinzoon dacht na. "Ze zei altijd dat ze wilde sterven bij haar eigen vuur. Dat het haar niets uitmaakte hoe, als het maar thuis was, en als er maar iemand zong."

"Dan zit ze bij haar vuur," zei de jongen. "En er zingt iemand."

Wie zijn hoofd verliest, verliest niet zijn waarde. Iemand die de namen kwijt is maar het lied nog kent, die geen pijn heeft en kan eten en zitten, die leeft. Dan pas je de zorg aan, en niet het leven. Wat telt, is wat die mens zelf wilde toen die het nog wist. En niemand beslist daar alleen over. Wie het naast staat, praat samen met wie er verstand van heeft.

10:6
Wie de namen kwijt is, is niet minder waard. Pas de zorg aan, niet het leven. Wat telt, is wat die mens zelf wilde toen die het nog wist.

Het begin

In de zomer kwam de kleindochter van de visser bij de herderin, op een avond dat de jongen bij de molen was.

Ze was zeventien. Ze bleef lang op de drempel staan voordat ze binnenkwam, en ze ging op de rand van de stoel zitten, met haar handen tussen haar knieën. Toen de jongen thuiskwam, zaten ze nog zo, en de herderin gebaarde dat hij in de deur moest blijven staan. Hij bleef staan. Het meisje keek hem aan, en besloot dat het goed was.

Er was een koopman geweest, in het voorjaar. Hij was doorgereisd. Ze was zwanger. Niet lang. Een maand of twee. Haar vader wist het niet. Haar grootvader wist het niet.

"Waarom kom je naar mij?" vroeg de herderin.

"Omdat u niet zegt wat ik moet doen." Het meisje keek naar haar handen. "Iedereen zegt wat ik moet doen. Mijn moeder zou zeggen dat ik moet trouwen, met wie dan ook. De priester zou zeggen dat het een geschenk is. De vrouw over de pas zegt dat ze het kan weghalen, met kruiden, en dat het bijna nooit misgaat." Ze slikte. "En u ziet de hele dag dieren geboren worden. U weet wat het is."

De herderin zei een tijd niets. Ze had pijn, die avond. Hij zag het aan hoe ze zat.

"Ik ga je niet zeggen wat je moet doen," zei ze toen. "Je hebt gelijk, dat doe ik niet. Ik ga je zeggen wat ik weet. Dan beslis jij."

Ze zei het langzaam.

"Het is jouw lichaam. Niemand mag het voor je beslissen. Je vader niet, de priester niet, die koopman niet, ik niet. Als iemand je dwingt, de ene kant op of de andere, dan doet die iets verkeerds. Ook als die het goed bedoelt."

"Maar is het slecht? Als ik het weg laat halen?"

"Ik weet wat ik zie, bij de dieren," zei de herderin. "In het begin is er bijna niets. Iets wat kleiner is dan een graankorrel. Het voelt niets. Er is nog niemand die het kan voelen. Daarna groeit het, elke dag, en het wordt iets. Op een dag heeft het een hart dat klopt. Op een dag beweegt het. En op een dag kan het pijn voelen, en dan is het er bijna. Er is geen dag waarop iets binnenvliegt. Het gaat langzaam. Daarom wordt het ook langzaam zwaarder."

Ze legde haar hand op tafel.

"Hoe eerder, hoe meer het van jou alleen is. Hoe langer je wacht, hoe zwaarder je reden moet zijn. En als het eenmaal geboren is, dan is het een mens, net als jij, en dan mag niemand het meer iets doen. Niet de vader, niet de moeder, niet het hele dorp. Daar geldt geen enkele reden meer."

"En waarom?" vroeg het meisje. "Welke reden is goed?"

"Dat moet je jezelf vragen. Waarom wil je het, en waarom niet? Wees eerlijk. En nog iets: die vrouw over de pas zegt dat het bijna nooit misgaat. Dat is niet waar. Het gaat soms mis, en dan ben jij het die het draagt. Dat moet je ook weten. Je hoeft het aan niemand te vertellen, ook niet aan mij. Maar jij moet het weten." Ze keek het meisje aan. "En wat je ook kiest: schaam je niet. Niet daarvoor."

Het meisje bleef die nacht. Ze sliep op de bank bij de oven. 's Morgens was ze weg.

Wat ze koos, staat hier niet. Het was haar beslissing, en ze hoeft die aan niemand uit te leggen, ook niet aan dit boek. In het najaar zag de jongen haar bij de beek, wassen met de andere vrouwen, en ze lachte om iets wat een van hen zei. Meer weten we niet. Meer hoeven we niet te weten.

Er is geen moment waarop een ziel binnenkomt, want er is geen ziel die van ergens anders komt. Er is een lichaam dat groeit, en dat langzaam iets wordt wat kan voelen. Daarom zegt dit boek geen dag en geen getal. Het zegt alleen wat er langzaam verandert: hoe langer je wacht, hoe zwaarder de reden.

Vroeg beslist wie zwanger is, en haar leven gaat voor. Later alleen om een ernstige reden, zoals een kind dat zo ziek zal zijn dat zijn leven vooral uit pijn zal bestaan, voor het kind zelf en voor wie ervoor moet zorgen. Aan het eind alleen als het kind niet zal kunnen leven, of als zijn leven bijna alleen lijden zal zijn. En wie geboren is, krijgt volledige bescherming, zonder uitzondering.

Geen dwang, in geen enkele richting. Geen schaamte. En altijd de vraag: waarom?

10:7
Er is geen dag waarop een ziel binnenkomt. Er groeit iets wat langzaam kan voelen. Hoe langer je wacht, hoe zwaarder de reden moet zijn.
10:8
Vroeg beslist wie zwanger is. Wie geboren is, krijgt volledige bescherming. Geen dwang, in geen enkele richting, en geen schaamte.

De nacht

De pijn kwam in de nazomer, zoals de heelmeester had gezegd.

Eerst 's nachts. Dan ook overdag. Ze lag nu wel, want zitten ging niet meer. De heelmeester kwam elke week, een dag lopen heen en een dag terug, en hij bracht een bruin sap van papaver mee, in een fles met een kurk. Een lepel in de avond. Het hielp. Ze sliep. Ze droomde, zei ze, van schapen die ze niet kende.

Toen hielp een lepel niet meer.

Het was een nacht aan het eind van de zomer, en het onweerde boven de bergen zonder dat het regende. Ze lag op haar zij, met haar knieën opgetrokken, en ze maakte geluiden die hij nog nooit van haar had gehoord. Niet van haar. Ook niet bij de wolf.

"Ik wil niet meer," zei ze, tussen twee golven door. Ze pakte zijn pols. Haar hand was nat. "Je weet wat ik bedoel. Help me. Ik vraag het je. Ik heb je nooit iets gevraagd."

Hij had zelf ooit niet meer gewild, in een schuur, in de sneeuw, toen er niemand was. Hij wist hoe het klonk, van binnen. Het klonk als het enige wat waar was. Het klonk zeker. En hij wist ook: het klinkt zeker. Dat zegt niets.

"Niet vannacht," zei hij.

"Het is mijn leven."

"Ja. Het is jouw leven. En het is nacht, en het onweert, en je hebt de ergste pijn die je ooit hebt gehad. Niemand beslist zoiets in een nacht als deze. Ook jij niet. Vraag het me morgen. Vraag het me als de heelmeester er is, en je zus, en je dochter. Als je het dan nog wilt, dan praten we. Maar niet nu. Niet alleen met mij."

Ze huilde. Ze sloeg naar hem, zwak. Hij hield haar vast tot het licht werd.

De heelmeester kwam de volgende middag, eerder dan hij moest. De molenaar had hem 's nachts gehaald, met de ezel.

Hij keek naar haar, en naar de fles, en hij gaf haar meer. Niet alles. Meer. Vaker. Hij legde de jongen uit hoeveel, en wanneer, en bleef een nacht om te zien of het werkte. Het werkte. Ze sliep weer. Ze werd wakker en wist waar ze was.

Ze vroeg het nooit meer.

Een paar dagen later, toen ze aan tafel kon zitten en een beetje melk dronk, zei ze: "Die nacht."

"Ja."

"Je had gelijk. Het was nacht." Ze keek hem aan. "Maar als het nu niet had gewerkt, wat hij gaf. Als het nooit meer had gewerkt. Wat had je dan gedaan?"

Hij zei een lange tijd niets.

"Dan hadden we het samen besloten," zei hij. "Jij, en de heelmeester, en wie je erbij wilde. Niet ik alleen. Niet jij alleen. En pas als echt niets meer hielp."

Ze knikte. Ze leek tevreden met dat antwoord. Hij was het niet. Hij wist dat er nooit een antwoord zou zijn waar hij tevreden mee was.

Wat hier staat, gaat over het einde van een ziekte. Niet over een nacht waarin je niet meer wilt omdat het leven tegenzit. Daarvoor heeft dit boek een eigen bladzijde, achterin: Als je niet meer wilt. Ga daar nu heen, als dit over jou gaat. Wat hier staat, geldt daar niet.

Bij een ziekte die tot het einde gaat, kan er een dag komen dat iemand een pijn heeft die op geen enkele manier meer te verhelpen is, ook niet met alles wat er is, en zonder enig uitzicht dat het beter wordt. Dan is een zelfgekozen einde niet verkeerd. Maar het is het allerlaatste middel. Zolang er iets is wat de pijn verzacht, gaat dat voor. Zolang er uitzicht is, gaat dat voor.

Niemand besluit dit alleen. Ook niet degene die het vraagt, en ook niet degene die het moet doen. Een doodswens alleen is niet genoeg. Een crisis is geen besluit, en wie een ander tegenhoudt in de nacht, doet niets verkeerd. Een leven dat tegenzit, armoede, schulden, ouderdom, of het gevoel dat je klaar bent: dat is geen reden. Niemand sterft omdat die een last is voor een ander.

Hoe onomkeerbaarder, hoe zekerder je moet zijn. En niets is zo onomkeerbaar als dit. Deze eisen staan altijd samen. Wie er één weglaat, heeft ze allemaal weggelaten.

10:9
Een crisis is geen besluit. Wie een ander in de nacht tegenhoudt, doet niets verkeerd.
10:10
Een zelfgekozen einde is het allerlaatste middel: alleen bij een ziekte die naar de dood gaat, met pijn die door niets meer te verzachten is, zonder uitzicht, en nooit door iemand alleen besloten.
10:11
Niemand sterft omdat die een last is.

De kruik

In de herfst, rond Weegschaaldag, kon ze niet meer eten.

Ze sliep bijna de hele dag. Als ze wakker was, wist ze meestal wie er was. Haar zus was teruggekomen uit de volgende vallei, en bleef. De zus van de jongen kwam elke ochtend met brood dat niemand at, en bleef tot het donker. Hun dochter zat aan het voeteneind en hield de voeten van haar moeder vast, die koud waren, hoeveel dekens ze er ook op legden.

Zijn zus bad. Ze bad aan het bed, zacht, met het koordje tussen haar vingers, de hele dag. Ze bad dat de herderin zou blijven. Dat God een wonder zou doen. Ze had het de jongen niet gevraagd, en hij had het haar niet verboden. Het was haar gebed. Hij hoorde het, en het deed hem goed en pijn tegelijk, en hij wist niet welke van de twee het meest.

Op de tweede avond van die week kwam de heelmeester, en hij ging bij het bed zitten en keek, een hele tijd. Toen liep hij naar buiten, en de jongen liep mee, en ze gingen op de muur van de kraal zitten.

"Er is een oud verhaal," zei de heelmeester. "Uit het boek van uw zus, of uit een boek dat ernaast staat. Ik vertel het aan iedereen die hier zit, op deze muur, ook als ze het niet willen horen."

Er was eens een geleerde, heel oud, heel geliefd, die ziek werd met een ziekte in zijn buik. Hij leed. Zijn leerlingen zaten dag en nacht om zijn huis en baden dat hij zou blijven, en zolang ze baden, bleef hij, en leed hij. Zijn dienstmeid ging naar het dak. Eerst bad ze met hen mee: laat hem blijven. Toen zag ze hoe vaak hij opstond, en hoe hij leed, en ze veranderde haar gebed. Laat hem gaan. Maar de leerlingen hielden niet op. Toen nam ze een kruik en liet hem van het dak vallen, op de stenen. De geleerden schrokken, en zwegen, één tel. En in die stilte stierf hij.

"Ze was een dienstmeid," zei de heelmeester. "Ze kende geen boeken. Ze kende hem. Ze zag wat de geleerden niet zagen, omdat zij naar hun gebed keken en zij naar hem."

Hij vertelde het die avond aan zijn zus. Hij wist niet of hij het mocht. Hij deed het toch. Ze zaten in de keuken, en de lamp brandde laag, en de anderen sliepen.

Ze luisterde. Ze huilde niet. Toen hij klaar was, zat ze een tijd met het koordje in haar hand.

"Ik ken dat verhaal niet," zei ze. "Maar ik geloof het. Het is een verhaal over God, en over iemand die beter luistert dan de geleerden."

Ze stond op en ging naar het bed. Hij hoorde haar weer bidden, zacht, met dezelfde woorden als altijd. Maar aan het eind was er iets anders. Ze vroeg niet meer of de herderin mocht blijven. Ze vroeg of ze mocht gaan.

Houd iemand niet vast omdat jij het niet aankunt. Laat iemand ook niet los omdat jij het niet aankunt. Kijk naar wie in het bed ligt, niet naar je eigen gebed of je eigen angst. Vraag wat die wil. Luister. Blijf.

10:12
Houd iemand niet vast omdat jij het niet aankunt, en laat niemand los omdat jij het niet aankunt. Kijk naar wie in het bed ligt.

Ze stierf twee nachten later, tegen de ochtend.

Het was niet mooi. Dit boek gaat niet doen alsof het mooi was. Haar adem werd raar, de laatste nacht: lang en dan niets, en dan weer, met een geluid in haar keel waar hun dochter van schrok. Haar handen werden blauw aan de nagels. Ze was niet meer wakker. Ze zei geen laatste woorden. Haar laatste woorden waren twee dagen eerder geweest, tegen hun dochter, en ze gingen over de ooi met het gescheurde oor, die je in de winter apart moest zetten.

Hij zat naast haar en hield haar hand. Zijn zus zat aan de andere kant. Hun dochter lag naast haar moeder in het bed, met haar arm over haar heen, zoals ze als kind had gedaan.

Ze ademde in, en daarna ademde ze uit, en daarna kwam er niets meer.

Ze wachtten. Ze wachtten een hele tijd, alle drie, omdat ze het niet geloofden, en omdat er nog steeds iets zou kunnen komen. Er kwam niets. Buiten begonnen de schapen te blaten, omdat het licht werd en ze naar buiten wilden. Iemand moest ze naar buiten laten.

Op de helling lag de vallei in de mist. Beneden draaide de molen.

Het afscheid

Ze had gezegd wat ze wilde. Hij had het opgeschreven, op dezelfde rekening van de molen, onder de lijst.

Geen priester bij het graf. Wel mocht de zus van de jongen bidden, thuis, ervoor, en ook bij het graf als ze dat wilde, maar dan zacht. Begraven bij de laatste wilg, niet bij het huis van gebed. Geen steen. Een ram uit haar eigen kudde slachten, en iedereen laten eten. En: vertel ze hoe ik was. Niet hoe ik er de laatste maanden uitzag.

De wensen van wie dood is, gaan voor. Niet die van de familie, niet die van het dorp, niet die van een geloof. En wie wel gelooft, krijgt ruimte, zolang die de wensen niet opzij zet. Zo hield de zus van de jongen haar gebed in de keuken, bij het lichaam, de avond ervoor, met de priester erbij als vriend en zonder zijn mantel. En bij het graf stond ze achteraan en bewoog haar lippen, en niemand hoorde het.

10:13
Bij een afscheid gaan de wensen van wie dood is voor. Wie gelooft, krijgt ruimte, zolang die de wensen niet opzij zet.

Ze droegen haar de helling op, met de hele vallei. De wever en zijn zoon, de molenaar, de smid, de jongen, de zoon van de rijkste man, die het had gevraagd. Hun dochter liep voorop, met de hond.

Bij de wilg was een kuil, die de wevers hadden gegraven, omdat zij de grond het beste kenden. Ze legden haar erin, in een wollen doek van haar eigen schapen.

Toen stond de jongen op de rand, met de rekening van de molen in zijn hand, en hij las voor wat ze hadden bedacht, zij en hij, op een avond in de zomer, toen ze nog kon zitten.

"Ze is dood," zei hij. "Daarom zijn we hier. We gaan niet zeggen dat ze slaapt. We gaan niet zeggen dat ze op ons wacht. Ze zou ons uitlachen."

Iemand lachte, nat, achterin. Het was de molenaar.

"Wat in haar brandde, was van haar alleen. En het is uit."

Toen vertelden ze. Dat had ze gewild. Iedereen die iets wist.

De wever vertelde over de winter in de hut, en dat ze elke week door de sneeuw kwam met een zak op haar rug, en dat ze nooit iets zei als ze binnenkwam behalve "Koud," en dan ging zitten. De molenaar vertelde dat ze hem ooit had uitgescholden omdat hij te veel water uit de beek nam, en dat ze gelijk had gehad. De zoon van de rijkste man vertelde dat ze de enige was die hem in het droge jaar recht in zijn gezicht had gezegd wat ze van hem dacht. Hun dochter vertelde over de ooi met het gescheurde oor. Ze kwam niet verder dan de helft. Daarna nam haar tante haar mee.

En de jongen vertelde over een vrouw die tweehonderdtwaalf schapen had, en hem niet nodig had, en daarom bleef.

Toen was het stil. Een hele tijd. Niemand zei iets. Er waaide wind door de wilg, en er riep een kraai, en beneden op de weg reed een kar met een ratelend wiel.

Toen pakte de jongen een hand aarde, en liet die in de kuil vallen.

"Waar je van gemaakt was," zei hij, "is ouder dan de zon. Het is eerder iets anders geweest. En het wordt weer iets anders. Gras, misschien. Of de wilg. Of een schaap dat van het gras eet. Dat is geen hemel. Het is wat er is."

Iedereen pakte een hand aarde. Iedereen liet die vallen. Daarna schepten ze de kuil dicht, de mannen en de vrouwen, om de beurt, tot hij vol was. Het duurde lang. Niemand ging weg voordat het klaar was.

Ze aten die avond bij de molen, met de hele vallei, van de ram die ze zelf had uitgezocht. Er was honing. Er was te veel wijn. Er werd gelachen, en daarna gehuild, en daarna weer gelachen, en een kind viel in slaap onder de tafel. Dat had ze ook gewild.

Bij een afscheid hoef je niet te weten wat je moet doen. Mensen hebben het al heel lang gedaan, en ze hebben ongeveer altijd hetzelfde gedaan: samenkomen, de waarheid zeggen, het verhaal vertellen, stil zijn, het lichaam teruggeven aan de aarde of het vuur, iets met je handen doen, en daarna samen eten. Dit boek bedenkt daar niets nieuws bij. Het laat alleen weg wat niet waar is.

10:14
Bij een afscheid: kom samen, zeg de waarheid, vertel wie het was, wees stil, geef het lichaam terug, doe het met je handen, en eet samen.
10:15
Troost niet met wat niet waar is. Wat er wel is, is genoeg om bij te huilen.

Het jaar

De eerste dagen kwamen er mensen. Ze zaten in de keuken. Ze zeiden bijna niets. Ze zetten water op, en deden de afwas, en voerden de schapen. De wever kwam elke ochtend en molk, en ging weer, en zei niets.

Hij dacht aan de vrienden van Job, die zeven dagen bij hem op de grond zaten en niets zeiden, en daarna begonnen uit te leggen: dat het een reden had, dat hij iets verkeerd had gedaan, dat het goed zou komen. Ze praatten hoofdstukken lang. Wat hij in de schuur in de sneeuw niet had geweten, was hoe dat boek afloopt. Aan het eind zegt God tegen die vrienden dat ze niet de waarheid hebben gesproken.

Op de achtste dag kwam de oude visser, de grootvader van het meisje dat bij de herderin was geweest. Hij ging zitten en zei dat alles een reden heeft. Dat ze nu geen pijn meer had. Dat de tijd alle wonden heelt. Dat hij sterk was.

De jongen hoorde het aan. Hij was te moe om boos te worden. Toen de visser weg was, zei hij tegen zijn zus, die aan het aanrecht stond: "Er is geen reden."

"Nee," zei ze. "Voor jou niet."

"En voor jou?"

Ze droogde een kom af en zette hem weg. "Ik geloof dat ze ergens is," zei ze. "Dat weet je. Ik zeg het niet tegen jou. Ik zeg het tegen mezelf, 's nachts. Het helpt mij. Het hoeft jou niet te helpen."

Het was het eerlijkste wat iemand die week tegen hem zei.

10:16
Bij iemand die rouwt heb je geen woorden nodig. Zit. Doe de afwas. Leg niets uit. En kom terug, ook als iedereen al weg is.

Daarna gingen de mensen weg, want zo gaat dat. Ze hadden hun eigen akkers en hun eigen kinderen. En toen kwam het.

Op de slechtste dag ging hij de helling op, tot aan de wilg, en hij schreeuwde. Er was niemand om tegen te schreeuwen. Hij schreeuwde toch. Hij schreeuwde dat het niet eerlijk was, en dat was het ook niet. Er was geen plan dat het eerlijk maakte, geen boek waarin het klopte, geen schaal die het rechtzette. Hij had dat zelf gezegd, op pleinen, tegen heersers, tegen zijn zus. Nu was het waar, en hij haatte het.

De zon kwam op, en dat nam hij de zon kwalijk. Beneden ging de molen gewoon open. De buren brachten hun graan. Hoe durfden ze.

Hij ging op de grond zitten bij de wilg, en de grond hield hem, want dat is wat grond doet.

Er is een oud verhaal over een koning wiens kind ziek werd. Zeven dagen lag hij op de grond. Hij at niet, hij bad en huilde, en niemand kon hem overeind krijgen. Toen stierf het kind. Zijn dienaren durfden het hem niet te zeggen. Ze waren bang wat hij zou doen. Maar hij zag ze fluisteren, en hij vroeg het, en ze zeiden ja.

Toen stond hij op. Hij waste zich. Hij trok schone kleren aan, en ging naar huis, en vroeg om eten, en at.

Zijn dienaren begrepen er niets van. Zolang het kind leefde, huilde je, zeiden ze. Nu het dood is, eet je.

Zolang het leefde, zei de koning, dacht ik: wie weet. Nu het dood is, waarom zou ik niet eten? Kan ik het terughalen? Ik ga naar hem toe. Hij komt niet terug naar mij.

Die koning had zijn eigen rouw. Hij at op de dag dat anderen niet konden eten, en dat was niet koud. Dat was hoe het bij hem ging.

Rouw heeft geen schema. Er zijn geen stappen die je op volgorde afloopt, en er is geen dag waarop het klaar moet zijn. Wij weten nu dat de meeste mensen die iemand verliezen, op den duur weer redelijk kunnen leven, en dat het verdriet komt in golven, niet in een rechte lijn. Dat het weken goed kan gaan, en dan ineens niet, om een geur, of een lied, of niets. Wie weinig rouwt, rouwt niet verkeerd. Wie lang rouwt, ook niet.

Er zijn wel dagen die je kunt gebruiken als leuning. De eerste dagen, als je niets hoeft. De eerste week, als er mensen komen. De eerste maand, als zij weggaan. Het eerste jaar, waarin alles voor het eerst zonder haar is: de eerste lammeren, de eerste sneeuw, de eerste Langste Nacht. En daarna elk jaar één dag. Je mag je eraan vasthouden. Je mag ze ook laten staan.

Een oude Romein schreef aan een vriend die rouwde: huil, maar jammer niet. Hij gaf ook toe dat hij zelf ooit veel te veel had gehuild om een vriend, omdat hij nooit had gedacht dat die vriend eerder zou gaan dan hij. En hij schreef wat zijn eigen leraar ervan zei: dat de herinnering aan wie je kwijt bent op den duur smaakt als een wrange vrucht of een oude wijn, juist om het bittere. Hij was het er niet mee eens. Voor hem was die herinnering zoet.

Als de rouw na lange tijd je leven blijft blokkeren, als je niet meer kunt eten of slapen of werken, en het niet minder wordt, zoek dan iemand die er verstand van heeft. Dat is geen zwakte. Ook wie gaat zitten om te rouwen, heeft soms een hand nodig om weer op te staan.

10:17
Rouw heeft geen schema. Weinig rouwen is niet verkeerd, lang rouwen ook niet.
10:18
Er zijn dagen die je als leuning kunt gebruiken. Je hoeft ze niet vast te houden.

Hun dochter rouwde anders.

Ze huilde niet waar hij bij was. Ze ging elke ochtend voor het licht de helling op, naar de schapen, en kwam pas terug als het donker was. Ze praatte tegen de schapen. Ze praatte niet tegen hem. Op een dag zei ze dat hij altijd weg was geweest, in de stad, terwijl haar moeder ziek werd. Dat was waar. Ze zei het en ging de deur uit en kwam die nacht niet thuis. Hij vond haar bij de wilg, in slaap, onder de mantel van haar moeder.

Hij ging naast haar zitten tot ze wakker werd.

"Ik praat tegen haar," zei ze, toen ze wakker was, zonder hem aan te kijken. "Is dat raar?"

"Nee. Ik ook."

"Antwoordt ze bij jou?"

"Nee," zei hij. "Ze antwoordt niet. Ik weet wat ze zou zeggen. Dat is iets anders. Het zit in mij. Niet bij de wilg."

Ze dacht erover na. Ze was haar moeders dochter: ze dacht altijd eerst na.

"Ik weet het ook," zei ze. "Wat ze zou zeggen. Ze zou zeggen dat ik de ooi met het gescheurde oor apart moet zetten."

"Heb je dat gedaan?"

"Gisteren."

Ze liepen samen naar beneden.

Tegen een dode praten mag. Bij een graf, op een muur, 's nachts in bed. Zolang je weet dat niemand antwoordt. Wat je hoort, komt uit jou: uit al die jaren dat je naar haar hebt geluisterd. Daar zit ze nu. Niet in de grond en niet in de hemel. In jou, en in je kind, dat de deur dichtdoet zoals zij dat deed.

10:19
De band met wie dood is, zit in jou. Praat ertegen, als je wilt. Weet alleen dat niemand antwoordt, en dat wat je hoort, van haar is gebleven in jou.

In de langste nacht van dat jaar staken ze een kaars aan, hij en zijn dochter, en zijn zus en haar kinderen, en de wevers, aan de tafel bij de oven. Ze zeiden haar naam hardop.

Ze aten honing. Niemand vond het lekker, zoveel tegelijk. Ze aten het toch.

Daarna werd hij oud.

Het ging niet in één keer. Het ging zoals de herfst gaat: je merkt het pas als de bladeren al op de grond liggen. Hij keek op een dag naar zijn handen op tafel, en het waren de handen van zijn vader.

Hun dochter nam de kudde over, en de vallei zei dat ze precies haar moeder was. De wever werd oud en de wevers werden een gewone familie, met een trommel. De maakster stierf, op een winterochtend. Zijn zus werd grijs en daarna wit, en bleef bidden, en bleef elke morgen voor de hanen opstaan om te bakken, ook toen haar kleinkinderen het deeg kneedden.

Hij woonde alleen in het huis aan de helling. Hij liep elke ochtend tot aan de wilg. Elke avond nam hij de schaal in zijn handen, de schaal die er niet was. Hij legde neer wat goed was geweest. Hij legde neer wat hij verkeerd had gedaan. Hij onthield wat hij morgen goed zou maken.

En toen hij heel oud was, op een nacht in de herfst, werd er op zijn deur geklopt.