Deel 11
Elke dag
De klop
Het klopte drie keer, zacht, alsof wie er stond hoopte dat niemand het hoorde.
Hij was wakker. Hij was altijd wakker, die laatste jaren, in het stuk van de nacht waar oude mensen in wonen. Hij stak de lamp aan met handen die het niet meer in één keer konden, en deed open.
Er stond een kind. Een meisje van zeven, op blote voeten, met een deken om haar schouders en een gezicht vol tranen die al een tijd droog waren. Hij kende haar. Ze was het achterkleinkind van zijn zus, de jongste dochter van haar jongste kleinzoon. Ze woonde aan de andere kant van de brug, en het was een flink eind lopen, in het donker, voor zulke voeten.
"Ik kan niet slapen," zei ze.
"Dat zie ik."
"Ik ben aan het tellen." Haar lip trilde. "Ik kom steeds verkeerd uit."
Hij zette haar bij het vuur en blies het weer aan, en hij gaf haar warme melk met honing, en ze vertelde het.
Aan de ene kant: ze had tegen haar moeder gelogen over het brood dat weg was. Ze had een jongen bij de beek geduwd, zodat hij in het water viel. Ze had een keer, één middag, gewild dat haar kleine broertje nooit was geboren. Aan de andere kant: ze had de kippen gevoerd, elke dag. Ze had gebeden. En ze had de helft van haar koek aan de jongen gegeven, die van de beek, maar dat was achteraf, dus misschien telde dat niet.
"Overgrootmoeder zegt dat God alles weet," zei ze. "Dan weet Hij het van het brood. En het telt niet eens of ik spijt heb, want je kunt geen spijt hebben als je het niet meer terug kunt doen. Toch? En als je doodgaat en het is niet genoeg..."
Ze kon niet verder.
Hij zat heel stil. Hij hoorde het hout knappen. Hij was zeventig jaar terug, in een ander huis aan deze zelfde helling, op een bed dat te kort was. Een jongen van zeven die wakker lag om te rekenen. De leugen over de kruik. De steen naar de hond. Die ene middag dat hij zijn moeder had gehaat. En de helft van zijn brood, maar daar had hij spijt van gehad, dus misschien telde dat niet.
Hij had zijn hele leven gelopen, en hier zat het weer.
"Weet je wat ik doe," zei hij, "elke avond?"
Ze schudde haar hoofd.
"Ik neem een schaal in mijn handen. Er is geen schaal. Ik doe alsof." Hij hield zijn handen op, met de palmen naar boven, naast elkaar. "En dan vraag ik drie dingen. Wat was goed vandaag? Dat leg ik erin. Heb ik schade gedaan, aan mezelf, een ander of iets wat leeft? Dat leg ik er ook in. En wat maak ik morgen goed? Dat onthoud ik."
"En dan?"
"En dan zeg ik: genoeg voor vandaag." Hij deed zijn handen dicht. "En de schaal gaat dicht."
Ze keek naar zijn handen.
"Maar je telt het niet op?"
"Nee."
"Waarom niet?"
"Omdat ik dat heb gedaan, toen ik zo oud was als jij. Ik heb alles opgeteld, elke nacht, en ik kwam altijd verkeerd uit. En weet je wat het deed? Het maakte me niet beter. Het maakte me bang." Hij tikte op haar hand. "De schaal is er niet om te weten of je genoeg bent. Hij is er voor morgen. Morgen breng je je moeder een brood, en zeg je dat je gelogen hebt. Dat is alles. Dat is genoeg voor vandaag."
Er was een Romein, lang geleden, een rijke man die veel schreef, en die elke avond hetzelfde deed. Als de lamp was weggehaald en zijn vrouw, die zijn gewoonte kende, was opgehouden met praten, liep hij de hele dag na. Wat had hij gezegd, wat had hij gedaan? Hij verborg niets voor zichzelf. En hij schreef op wat hij dan tegen zichzelf zei: deze keer vergeef ik het je. Zorg dat je het niet meer doet. Hij schreef ook hoe goed je slaapt, na zo'n avond.
Hij had het van zijn eigen leraar. Het is een van de oudste gewoontes die mensen hebben, en het heeft geen god nodig, en ook geen afwezigheid van een god. Het heeft twee handen nodig, en een paar tellen.
Neem elke avond de schaal in je handen. Wat was goed vandaag? Heb ik schade gedaan, aan mezelf, een ander of iets wat leeft? Wat maak ik morgen goed? Zeg dan: genoeg voor vandaag. De schaal gaat dicht.
Je telt het niet op. Er komt geen dag waarop het wordt opgeteld. De schaal is er voor morgen, niet om jezelf te veroordelen.
Ze viel in slaap op de bank bij het vuur, met haar hoofd op zijn knie. Hij bleef zitten tot het licht werd, want zijn benen sliepen ook.
Toen ze wakker werd, keek ze verbaasd om zich heen, en zag hem, en wist het weer.
"Is het morgen?" vroeg ze.
"Het is morgen."
"Wat moet ik nu doen?"
"Er is ook een vraag voor de ochtend," zei hij. "Maar die is kort. Wat is vandaag van mij, en wat niet?"
Ze dacht na, zoals kinderen nadenken: met haar hele gezicht.
"Het brood is van mij," zei ze. "En de jongen van de beek. En de kippen."
"En wat niet?"
"Of mama boos wordt." Ze keek naar hem. "Dat is van haar."
Hij moest lachen, en het deed pijn aan zijn ribben. Het was het beste antwoord dat hij in jaren had gehoord.
Vraag elke ochtend: wat is vandaag van mij, en wat niet? Wat van jou is, pak je op. Wat niet van jou is, laat je liggen.
Wat van haar moeder is
Hij bracht haar naar huis, over de brug, langzaam, want hij liep met een stok en zij wilde rennen. Haar moeder stond in de deur, wit van schrik, en greep het kind en schudde het en drukte het tegen zich aan, in die volgorde.
Toen het kind binnen was, bij het brood, stonden ze samen in de deur.
"Ze kwam naar mij," zei hij. "Ze lag wakker. Ze telde haar zonden, en ze was bang."
De moeder zuchtte. Ze was een vrouw van in de dertig, met de ogen van zijn zus, en ze bakte zoals zijn zus.
"Dat doet ze al een maand," zei ze. "Sinds de priester over het oordeel heeft gepreekt. Ik zeg haar dat God goed is. Het helpt niet."
"Ik heb haar iets geleerd," zei hij. "Ik wil dat je het weet. Ik heb haar geleerd wat ik zelf elke avond doe. Drie vragen, en dan: genoeg voor vandaag. Ik heb haar niets over God gezegd. Maar ik wil het je vragen, want ze is van jou, en niet van mij. Als je het niet wilt, zeg ik het niet meer."
De moeder keek hem lang aan.
"Wat zou je zeggen," vroeg ze, "als ze je vraagt of er een God is?"
"De waarheid. Dat ik denk dat er geen God is, en waarom ik dat denk. Dat haar overgrootmoeder denkt van wel, en dat haar overgrootmoeder de wijste vrouw is die ik ken. En dat ze het zelf mag uitzoeken, haar hele leven lang, en dat ik van haar hou, wat ze ook kiest."
De moeder dacht na. Toen knikte ze.
"Leer haar je drie vragen," zei ze. "De rest is van ons."
Een kind is van niemand. Maar een kind groeit op in een huis, en de mensen in dat huis vormen het, of ze willen of niet. Dat is geen opdringen. Opdringen is het pas als het kind niet anders meer kan of durft: als het bang wordt gemaakt met iets wat niet bestaat, of als de liefde ophoudt waar het geloof ophoudt.
Wat je een kind over God zegt, zeg je als wat jij denkt, met je reden erbij. Niet als iets wat vaststaat. Wat wel vaststaat, de maan, het water, wat een mes doet, dat breng je als feit. En je liefde hangt nooit af van wat het kind gelooft. Niet als het jouw kind is, en ook niet als het van een ander is.
Een kind is geen Vuzist. Een kind is een kind.
Een kind is geen Vuzist. Wat je een kind over God zegt, zeg je als jouw overtuiging, met je reden erbij. Feiten breng je als feiten.
Liefde hangt nooit af van wat een kind gelooft.
Weegschaaldag
In de herfst, op de dag dat de nacht en de dag even lang zijn, wacht je niet tot de avond.
Op die dag weeg je het jaar. Niet elke dag apart, maar alles. Wat was goed? Wie heb je pijn gedaan? En dan, als je dat weet, sta je op en ga je erheen. Niet morgen. Vandaag.
Er waren nooit veel mensen in de vallei die het deden. Het hoefde ook niet. Er was geen klok die luidde en geen priester die het zei. Er was een oude man aan de helling die het deed, en een paar mensen die het van hem hadden overgenomen, en de wevers, die het een mooie dag vonden omdat hun eigen jaar ook in de herfst begon. Wie het overslaat, mist niets, en heeft niets misdaan.
Elk ritueel is vrijwillig. Wie het overslaat, mist niets en heeft niets misdaan.
Het meisje kwam die ochtend vroeg. Ze had het van hem gehoord, en ze wilde mee.
"Naar wie ga jij?" vroeg ze.
"Naar je tante. Mijn dochter."
"Wat heb je haar gedaan?"
Hij zei het niet meteen. Hij liep met haar de helling op, met zijn stok, en ze keken naar de kudde, die nu van zijn dochter was, en die bijna zo groot was als die van haar moeder ooit.
"Toen haar moeder ziek werd," zei hij, "was ik weg. In de stad. Ik deed iets goeds, dacht ik. Ik stond op een plein, en ik telde. Dat was ook goed. Maar zij was hier, met een moeder die ziek werd, alleen. Ze heeft het me een keer gezegd, toen ze vijftien was, en ik heb er nooit iets op gezegd. Dat is lang geleden. Ik had het lang geleden moeten zeggen."
Het meisje dacht na.
"Ik ga naar de jongen van de beek," zei ze. "Maar ik heb hem al de helft van mijn koek gegeven."
"Dat was goed. Maar heb je gezegd dat het je speet?"
"Nee."
"Dan ga je daarvoor."
Zijn dochter stond bij de kraal, en ze trok een ooi aan haar poot uit de modder. Ze was ruim veertig, en ze had de handen van haar moeder en de stilte van haar moeder, en ze keek op toen hij kwam en wist meteen dat het iets was.
Hij zei het. Hij zei het zoals de vier stappen gaan: dat hij weg was geweest, en dat zij het alleen had gedragen. Dat hij er een reden voor had gehad, en dat de reden het niet beter maakte voor haar. Dat het hem speet. Dat hij er niets meer aan kon doen, behalve het zeggen.
Ze liet de ooi los. Ze veegde haar handen af aan haar broek.
"Ik weet het," zei ze. "Ik wist het al. Ik was er al lang niet meer boos om." Ze keek naar de wilg, verder op de helling. "Maar het is goed dat je het zegt. Het is anders als je het zegt."
Ze stonden er een tijd. Toen gaf ze hem de emmer, omdat de ooi moest drinken, en hij hield hem vast terwijl het dier dronk.
Een oude leraar zei: maak het goed, één dag voor je dood. Zijn leerlingen vroegen hem: weet een mens dan wanneer hij doodgaat? Juist daarom, zei hij. Doe het vandaag, want misschien sterf je morgen. Dan doe je het je hele leven.
Weeg op Weegschaaldag het jaar, en ga naar wie je pijn deed: erkennen, stoppen, goedmaken, niet herhalen.
Wacht niet tot je laatste dag. Je weet niet welke het is.
Er was één deur waar hij niet heen ging. Hij was er al eens geweest, een leven geleden. Het was een blauwe deur, in een stad aan zee, en de vrouw die daar woonde, had gezegd dat ze hem niet zou vergeven. Ze had gevraagd of hij elke avond wilde denken aan de sterren die zij niet meer zag.
Dat deed hij. Elke avond, als hij de schaal in zijn handen nam, was zij het eerste wat erin lag. Dat was het enige wat ze had gevraagd, en hij was niet van plan om er iets anders voor in de plaats te zetten. Wie niet vergeeft, hoeft je deur niet open te doen. Soms is goedmaken: wegblijven.
De Langste Nacht
In de winter, op de langste nacht, staken ze kaarsen aan in de keuken van zijn zus.
Het was een kleine keuken, en ze pasten er niet allemaal in. Ze zaten op de trap en op de vensterbank en de kleinste kinderen onder de tafel. Er brandde een kaars voor de herderin. Een voor de maakster. Een voor de molenaar, die vorige winter was gestorven, met meel in zijn wenkbrauwen tot het eind. Een voor de man van zijn zus, die al lang dood was. Een voor hun vader en hun moeder. En een die zijn zus had aangestoken zonder te zeggen voor wie.
Ze zeiden de namen. Hardop, één voor één. Ze vertelden. Ieder iets. Het mocht kort zijn. Iemand vertelde dat de molenaar altijd zei wat hij dacht, omdat dat tijd scheelde. Iemand vertelde over de doos met de gebroken tand. Het meisje van zeven vertelde niets, want ze kende ze niet. Ze luisterde.
Er stond eten op tafel dat de doden lekker hadden gevonden. Honing, voor de herderin. Gezouten vis, voor de molenaar, die eigenlijk niemand anders lekker vond. Ze aten het toch.
"Waar zijn ze?" vroeg het meisje, later, toen de kaarsen half op waren.
Het was stil in de keuken. Haar overgrootmoeder keek naar haar broer. Hij keek terug.
"Zeg jij het eerst," zei hij.
"Ik denk dat ze bij God zijn," zei zijn zus. "In een tuin. Dat geloof ik. Ik weet het niet zeker, niemand weet het zeker. Maar ik geloof het."
Het meisje keek naar hem.
"Ik denk dat ze nergens meer zijn," zei hij. "Ze zijn uit, zoals een kaars. Maar wat ze deden, is er nog. In ons. Jouw overgrootmoeder bakt zoals haar moeder, en jouw moeder bakt zoals zij. En jij zult het ook zo doen. Daar zijn ze."
Het meisje dacht na. Ze keek van de een naar de ander.
"Jullie zeggen het allebei," zei ze.
"Ja."
"En jullie zijn niet boos op elkaar."
"Nee," zei zijn zus. "Daar zijn we te oud voor."
Steek op de langste nacht een kaars aan voor wie er niet meer is. Zeg de naam hardop. Zij horen het niet. Jij wel, en het huis, en de kinderen, die anders niet zouden weten wie dat was. Eet wat ze lekker vonden, ook als het niet lekker is.
Morgen is de dag een heel klein beetje langer. Niemand heeft dat beloofd. De aarde helt gewoon zo.
Steek op de langste nacht een kaars aan voor wie er niet meer is, en zeg de naam hardop. Zij horen het niet. Jij wel, en de kinderen.
Morgen is de dag weer langer. Niemand heeft het beloofd. De aarde helt gewoon zo.
Wie aan de andere kant van de aarde woont, heeft het omgekeerd. Daar is de langste nacht in de tijd dat het hier zomer is. Dat maakt niet uit. De dagen zijn van de aarde, niet van een boek.
Elke week, elke maand
"Waarom doe je dat?" vroeg het meisje van zeven.
Ze had hem zien zitten, op de muur, met zijn handen in zijn schoot, op een dag dat iedereen werkte.
"Wat?"
"Niets."
Hij lachte. "Dat is mijn dag van niets. Eén keer in de week."
"Wat gebeurt er als je het niet doet?"
"Niets," zei hij. "Er kijkt niemand. Het is niet voor de wereld. Het is voor mij, zodat ik weet waarom ik de andere dagen werk. Als ik dat ooit niet meer weet, laat ik het."
Ze dacht na. "Dan is het makkelijk."
"Het is klein," zei hij. "Daarom lukt het."
Een ritueel werkt op jou, niet op de wereld. Elk ritueel heeft een reden, en vervalt de reden, dan vervalt het ritueel.
Klein en thuis eerst. Doe het met je handen.
Die dag liep hij, en zat hij op de muur, en at hij met wie er langskwam. Hij had het van de herderin, die het had van haar vader, die het had van een volk dat er een heilige dag van had gemaakt. Zijn zus hield haar rustdag op een andere dag dan hij, en om een andere reden. Zij omdat God het gebood. Hij omdat lichaam en hoofd het nodig hebben, en omdat je anders vergeet waarom je werkt.
In het oude boek van zijn zus staat het met een reden erbij, en die reden is mooi. Op de rustdag mag niemand werken. Jij niet, je zoon niet, je dochter niet, wie voor jou werkt niet, je os en je ezel niet, en de vreemdeling die bij jou woont niet. Zodat wie voor jou werkt, net zo goed rust als jij.
Eén dag in de week zonder moeten. Ook voor wie voor jou werkt, en voor je dieren.
Eens in de maand, bij volle maan, at hij met wie hij liefhad.
Het was niet altijd dezelfde tafel. Soms bij zijn dochter, soms bij de wevers, soms bij zijn zus, en soms bij hem, en dan kookte hij slecht en at iedereen het toch.
Die zomer kwam zijn zus een week lang niet bij de wevers langs. De trommel. Ze waren te oud om nog de halve nacht te zingen, zei ze, en zij was te oud om wakker te liggen. De wever had gezegd dat ze zongen sinds ze in de vallei waren gekomen, en dat ze er niet mee ophielden. Daarna zeiden ze niets meer tegen elkaar.
Bij volle maan was het bij hem. Ze kwamen allebei. Ze gingen zo ver mogelijk van elkaar af zitten, wat aan zijn tafel niet ver was. Hij had soep gemaakt die te zout was. Niemand zei iets over de trommel. Het meisje van zeven vertelde over een kip met drie poten, die niet bestond, en iedereen deed alsof.
Toen het brood rondging, kwam het bij de wever. Hij brak er een stuk af en hield het naar zijn zus, over de tafel. Ze keek er een tijd naar. Toen pakte ze het aan.
De week daarna was de trommel zachter. Ze zei er niets over. Ze bracht een brood.
Daar is die tafel voor. Er is geen gebed bij en geen toespraak. Er zijn mensen die komen omdat ze het hebben afgesproken, ook als het regent, ook als ze ruzie hebben met iemand aan dezelfde tafel.
Liefde onderhoudt zichzelf niet. Vrienden ook niet. Familie ook niet. Wie wacht tot het vanzelf gaat, merkt op een dag dat het niet meer gaat, en weet niet wanneer het ophield.
Eet elke maand met wie je liefhebt. Liefde onderhoudt zichzelf niet.
En elke ochtend liep hij tot aan de wilg.
Niet omdat het moest. Omdat hij het al bijna vijftig jaar deed, en omdat het lichaam het enige huis is dat je nooit verlaat. Zijn benen waren slecht. Hij deed er nu twee keer zo lang over als toen. Maar hij liep.
Wat je elke dag doet, word je. Dat geldt voor de wandeling, en voor de schaal, en voor de woede, en voor de kroes. Er is geen dag waarop je ineens goed bent. Er zijn alleen dagen waarop je oefent. Een vrouw die een ram slacht, met haar hand op zijn hals tot hij stil is. Een man die elke avond drie vragen stelt. Een meisje dat elke morgen de kippen voert. Het lijkt niets. Het is bijna alles.
Er is een oud lied dat zegt: leer ons onze dagen tellen, zodat we een wijs hart krijgen. Dat is een ander tellen dan dat van een kind dat wakker ligt. Het is niet tellen hoeveel je fout hebt gedaan. Het is weten dat je er niet eindeloos veel hebt.
Wat je elke dag doet, word je. Er is geen dag waarop je ineens goed bent. Er zijn alleen dagen waarop je oefent.
Leer je dagen tellen. Niet om te weten of je genoeg bent, maar om te weten dat ze opraken.
Lentedag
Op de dag dat dag en nacht in de lente weer even lang zijn, begin je iets wat je nog nooit hebt gedaan.
Hij was zevenenzeventig. Hij had gerekend en geteld en gelopen, en hij had op pleinen gestaan, en hij wist niets van weven.
De kleindochter van de wever leerde het hem, aan het grote getouw in de schuur die de vallei had herbouwd. Ze was elf, en ongeduldig, en ze zei het steeds opnieuw: niet zo strak. Niet trekken. Laat de draad het doen. Zijn vingers wilden niet. Ze waren te stijf, en hij zag de draden slecht. Na een maand had hij een lap geweven zo groot als een hand, scheef, met een gat erin.
Hij hing hem aan de muur, naast de deur. Hij was er trotser op dan op de doos.
Begin elk voorjaar iets wat je nog nooit deed. Je bent nooit te oud om slecht in iets te zijn.
Die lente kreeg het meisje van zeven een zusje.
Het werd geboren op een regenachtige nacht, met zijn dochter erbij, die nu ook bij vrouwen kwam, met de handen die haar moeder haar bij de ooien had geleerd. Op de zevende dag droegen ze het kind naar het huis van gebed, en de priester zegende het, in de woorden van het geloof van zijn ouders. De oude man stond buiten bij de deur, met zijn rug in de zon, zoals altijd.
's Avonds, thuis, vroeg de moeder of hij ook iets wilde zeggen. Hij had het niet gevraagd. Hij zei dat hij dat graag wilde.
Hij hield het kind vast. Het was klein en rood en boos.
"Je naam is van jou," zei hij, en hij zei de naam. "Waar je van gemaakt bent, is ouder dan de zon. Het is in sterren gemaakt die er al lang niet meer zijn. Het is gras geweest, en water, en brood. Nu is het jij. Er is maar één jij, en je bent een hele wereld, en niemand anders gaat er ooit in wonen."
Hij gaf het kind aan zijn moeder.
"Wie belooft er voor haar te zijn?" vroeg hij.
Haar ouders. Haar zus van zeven, heel ernstig. De wever. Zijn dochter. Zijn zus, die het al had beloofd in het huis van gebed, in andere woorden, en die het nog een keer beloofde.
Het kind werd niets, die avond. Ze werd niet van het geloof van haar ouders en niet van het zijne. Ze werd geen lid. Ze werd niet ingeschreven, en er werd niets aan haar lijf gedaan. Ze werd alleen welkom.
Bij een geboorte: zeg de naam, vertel waar het kind van gemaakt is, en beloof er te zijn. Het kind wordt niets, behalve welkom.
De Langste Dag
In de zomer, op de langste dag, was er feest.
Niet in het huis van gebed en niet in de molen. Buiten, aan de rivier, bij de wevers, zo lang het licht was. Er werd gezwommen in het meer achter de dam, en er waren de trommel en de fluit, en er werd gegeten tot niemand meer kon. De jongens van de smid sprongen over het vuur. De oude man zat op een bank met een deken over zijn knieën en een kroes in zijn hand, en hij dronk hem langzaam, want het was de enige.
Gelukkig zijn hoort bij het leven. Je hoeft het niet te verdienen, en je hoeft je er niet voor te schamen omdat het ergens anders slecht gaat. Er is altijd ergens anders iets slecht. Op één dag van het jaar is het licht het langst, en dan ben je buiten.
Vier op de langste dag feest, buiten, zo lang het licht is. Gelukkig zijn hoef je niet te verdienen.
Laat op de avond, toen het licht rood werd boven de pas, kwam een jongen naast hem zitten. Het was een kleinzoon van zijn zus, achttien jaar, lang en onhandig, die altijd met zijn handen in zijn zakken stond.
"Moeder zegt dat jij weet wat je moet doen," zei hij. "Als je volwassen wordt. Ik wil niet naar de priester. Dat heb ik gezegd. Ze vindt het goed."
"Er hoeft niets," zei de oude man.
"Dat weet ik. Maar wat doe jij dan?"
"Je schrijft een brief," zei hij. "Aan jezelf. Wat je wilt. Wat je kunt. Wat je bang maakt. Wat je kaarten zijn, voor zover je ze kent. En die brief bewaar je, en lees je over tien jaar, en dan lach je om de helft. En daarna praat je met iemand die je vertrouwt. Niet met mij, tenzij je wilt. Met iemand die je kent."
De jongen keek naar het vuur.
"En als ik niets wil? Geen brief. Geen priester. Niets?"
"Dan wil je niets. Dat mag ook. Je hoeft niets te beloven, aan mij niet, aan niemand. Er is geen eed. Je bent volwassen, of je nu een brief schrijft of niet."
De jongen zei niets. Hij bleef zitten tot het donker was. Een week later zag de oude man hem op de muur bij de beek zitten, met een lei en een stompje krijt, en een frons.
Wie volwassen wordt, kan een brief aan zichzelf schrijven, en praten met iemand die die vertrouwt. Geen eed. Je mag ook zeggen dat je er niets mee wilt.
Die nacht schreef hij zelf ook iets. Hij was er al jaren mee bezig, en het was nooit af.
Het was zijn eigen lijst. Hoe hij afscheid wilde. Bij de wilg, naast haar. Geen steen. Geen priester, maar zijn zus mocht bidden wat ze wilde. Ze moesten de doos niet begraven, die stond nog in de molen, en hij hoorde daar. Ze moesten de lap van het getouw niet weggooien. En ze moesten vertellen hoe hij was, niet hoe hij er het laatste jaar uitzag.
Hij gaf de lijst aan zijn dochter, op de dag erna. Ze las hem en vouwde hem op en stak hem in haar schort.
"Is er iets?" vroeg ze.
"Nee. Ik wil alleen dat iemand het weet, voordat ik het niet meer kan zeggen."
Schrijf op hoe je afscheid wilt, zolang het kan, en geef het aan iemand.
Genoeg voor vandaag
Het werd weer herfst, een jaar na de klop.
Het meisje was acht. Op haar verjaardag had hij haar een steen gegeven, glad en rond, uit de rivier. Ze had gevraagd waarom. Hij had gezegd: omdat je weer een keer om de zon bent gegaan, met de hele aarde, en je bent niet van de wereld gevallen. Dat moet je vieren. En je moet de mensen bedanken die ervoor zorgden dat je er nog bent.
Ze had haar moeder bedankt, en de kippen.
Ze lag niet meer wakker om te tellen. Dat zei ze tegen hem, op de muur bij de wilg, in de zon.
"Soms wel nog een beetje," zei ze. "Maar dan zeg ik het."
"Wat zeg je?"
"Genoeg voor vandaag." Ze deed haar handen open en dicht, zoals hij dat deed. "En dan doe ik de schaal dicht. En dan bid ik nog. Mag dat?"
"Natuurlijk mag dat."
"Overgrootmoeder zegt dat God het fijn vindt dat ik de schaal doe. Ze zegt dat Hij er ook een heeft, maar dat Hij nooit optelt." Ze keek hem aan. "Denk jij dat ook?"
"Ik denk dat er niemand is die optelt," zei hij. "Daarin zijn we het eens, je overgrootmoeder en ik. Alleen niet over waarom."
Ze vond dat een goed antwoord. Ze sprong van de muur en rende naar beneden, naar de kippen.
Hij bleef zitten. Het werd koud op de muur, en de zon zakte achter de pas, en de vallei werd blauw. Hij keek naar zijn handen. Hij nam de schaal erin.
Wat was goed vandaag? Een meisje dat van een muur sprong.
Heb ik schade gedaan? Een vrouw achter een blauwe deur. Altijd die, het eerste. En vandaag niemand anders, voor zover hij wist.
Wat maak ik morgen goed? Niets, dacht hij. Morgen loop ik naar de wilg.
Genoeg voor vandaag.
Beneden, bij de oven van zijn zus, brandde nog licht. Daar ging het 's avonds altijd als eerste uit. Nu stond de deur open, en er stond iemand in.
Het was de moeder van het meisje. Ze kwam de helling op, en ze liep snel.
"Ze vraagt naar je," zei ze, buiten adem, bij de muur. "Overgrootmoeder. Ze is gevallen, bij de oven. Ze ligt. Ze zegt dat het goed is, en dat je niet hoeft te schrikken." Ze haalde adem. "En ze zegt dat je haar nog iets schuldig bent. Een antwoord. Ze zegt dat jij wel weet welk."
Hij wist het.
Hij pakte zijn stok, en ging naar beneden, naar het licht.