Vuzisme

Deel 2

De blinddoeken

De overschrijfster

De sneeuw kwam vroeg dat jaar, en de pas ging dicht.

Ze vonden hem aan de voet van de stadsmuur, met blauwe lippen en een lege tas. Toen hij bijkwam, lag hij op een stapel kalfsvel en rook het naar inkt, en er zat een oude vrouw naar zijn handen te kijken alsof ze die wilde kopen.

"Goede vingers," zei ze. "Kun je lezen?"

"Nee."

"Mooi. Dan heb je nog niets verkeerd geleerd."

Haar eigen handen trilden. Ze had veertig jaar lang boeken overgeschreven voor de grote tempel, zoals haar leermeester had gedaan, en diens leermeester, terug tot voorbij de oudste steen van de stad. Nu kon ze geen rechte lijn meer trekken. Ze bood hem brood en een bed tot de dooi, als hij voor haar wilde schrijven.

Hij wilde naar huis. Maar de pas was dicht, en wie de pas in de winter nam, vonden ze in het voorjaar terug.

Dus leerde hij letters.

Na vijf weken mocht hij zijn eerste regel overschrijven uit het heilige boek. Hij werkte er een hele dag aan, met zijn tong tussen zijn tanden. Trots bracht hij het vel naar haar toe.

Ze hield het bij de lamp, en begon te lachen.

"Wat?"

"Je hebt een letter overgeslagen. Hier. Nu betekent het iets anders." Ze veegde haar ogen af. "Gefeliciteerd, jongen. Je hebt het woord van God veranderd."

Hij werd wit.

"Rustig maar," zei ze. "Je bent de eerste niet. Ik heb ooit een hele regel laten vallen, op een avond dat ik kiespijn had. Wie weet hoeveel zielen dat heeft gekost."

2:1
Elk heilig boek is overgeschreven door iemand met koude vingers.

Elke avond, als hij zijn ogen niet meer open kon houden, vertelde ze hem iets wat niet in de boeken van de tempel stond.

"Ver in het oosten," zei ze, "kwam een leraar in een dorp waar iedereen in de war was. Elke prediker die langskwam, zei dat hij de waarheid had en de rest loog. Wie moeten we geloven? vroegen ze. Hij zei: ga niet af op wat je vaak hebt gehoord. Niet op traditie, niet op het gerucht, niet op wat er in de geschriften staat. Niet op wat slim klinkt. Niet op de gedachte: deze man is onze leraar. Toets het zelf. Kijk wat het doet."

"Dat zei een leraar? Geloof je leraar niet?"

"Ze hebben het opgeschreven," zei ze, "en daarna vereerden ze hem. Zo gaat dat."

2:2
De beste leraar zegt: geloof mij niet. De leerlingen schrijven het op en knielen.

Tegen de muur van haar kamer stond een kist van zwart hout, met twee sloten. Daar liep ze altijd omheen, zoals je om een slapende hond heen loopt.

"Wat zit daarin?" vroeg hij, op de avond dat de eerste maan van het nieuwe jaar opkwam.

Ze keek hem lang aan.

Toen vertelde ze hem over de stad. Hij had het niet begrepen, al die weken: hij was in een stad terechtgekomen met één boek. Er was een man die de Hoeder heette, en die erover waakte dat het één bleef. De laatste die daar vragen over had gesteld, was een leraar geweest. Zijn huis stond nu leeg.

"Wil je het nog steeds weten?" vroeg ze.

Vijf stenen had hij in zijn schoen. Hij had een hele wereld afgelopen om een vraag te stellen, en aan de andere kant van de pas lag iemand op hem te wachten.

"Ja," zei hij.

Ze haalde de sleutels uit haar haar.

De kist

Bovenop lag een stuk gebakken klei, zo groot als een hand, vol tekens als de sporen van vogels in modder.

"Dit komt uit een stad die onder het zand ligt," zei ze. "Lees maar niet, dat kan niemand hier behalve ik. Ik vertel het je wel."

Ze hield de klei tegen de lamp en vertelde.

De goden wilden de mensen verdrinken. Maar er was één man die werd gewaarschuwd. Hij moest een groot schip bouwen en zijn familie erin nemen, en de dieren. Toen kwam de vloed. De hele wereld ging onder, en de goden zelf werden bang. Het schip liep vast op een berg. De man liet een duif los, en de duif kwam terug. Hij liet een zwaluw los, en die kwam terug. Hij liet een raaf los, en de raaf kwam niet terug. Toen stapte hij uit en bracht een offer, en de goden roken het.

De jongen zat heel stil.

"Dat is Noach," zei hij.

"Dat is Utnapishtim," zei ze. "Noach komt later. Dit verhaal werd al verteld toen het boek van Noach nog niet bestond."

"Maar dan..."

"Maak zelf je zin maar af. Ik heb wel gezien waar het eindigt als iemand anders dat voor je doet."

Ze legde de klei neer en nam twee rollen uit de kist.

"Hier heb je één zin, in twee talen. Dit is het oude. Er staat dat een jonge vrouw een kind zal krijgen. En dit is de vertaling, gemaakt in een andere stad, voor mensen die de oude taal niet meer kenden. Hier staat: een maagd." Ze tikte met een trillende vinger op het woord. "Eén woord, gekozen door iemand die we niet kennen. Er zijn gebedshuizen om gebouwd, en het begon bij een vertaler aan een tafel."

2:3
Er is geen bedrieger nodig. Een vermoeide vertaler is genoeg.

"Is dat bij alle boeken zo?"

"Ik heb er niet genoeg gezien om dat te weten. Er was een heerser in Arabië, kort na de dood van hun profeet, die de mensen zag twisten over hoe het boek luidde. Hij liet één tekst vaststellen en de andere afschriften vernietigen. Hun gelovigen zeggen dat het woord daardoor juist zuiver is gebleven, en zo kan hij het ook hebben bedoeld. Het hield de mensen bij elkaar. Veel later vonden werklieden in een oude moskee een stapel perkament, en onder de bekende tekst stond een andere, half weggeschrapt, net iets anders."

Ze keek de jongen aan.

"Begrijp me goed. Dit bewijst niet dat er niets waar is. Een boek kan door honderd handen gaan en toch mooi zijn. Het bewijst dat er handen waren."

Hij wilde iets zeggen, maar ze hield haar vinger omhoog.

In de gang had iets gekraakt.

De deur ging open, en daar stond een man in het witte gewaad van de tempel, met een lamp in zijn hand. Hij keek naar de klei. Hij keek naar de rollen. Hij keek naar de jongen.

De oude vrouw bewoog niet.

De priester deed de deur achter zich dicht en ging op de kist zitten.

"Dat stuk over de raaf," zei hij. "Daar heb ik drie nachten niet van geslapen, toen ik zo oud was als hij."

De priester die bleef

De volgende avond nam de priester hem mee de stad in.

Hij liep snel, voor iemand van zijn leeftijd, met een zak over zijn schouder. Ze gingen de steegjes in waar de tempel nooit kwam. Bij een jonge moeder liet hij brood achter. Bij een blinde man bleef hij zitten en vroeg hij hoe de man had geslapen. In een kelder hield hij de hand vast van een stervende, en hij sprak de oude woorden, langzaam, met zijn ogen dicht, tot de adem stopte. Toen sloot hij de ogen van de dode en troostte hij de zoon. Die kuste zijn hand.

Buiten leunde hij tegen de muur en haalde hij diep adem in de kou.

"Ik geloof er geen woord meer van," zei hij. "Al dertig jaar niet."

De jongen staarde hem aan.

"Maar u zei net..."

"Ja."

"Dat is liegen."

"Dat zou kunnen." Hij veegde zijn handen af aan zijn gewaad. "Daar moet je maar eens goed over nadenken. Ik ook. Maar wie komt er anders?"

2:4
Wie alles wegneemt wat niet waar is, moet eerst kijken wie er dan nog komt.

Ze gingen op de trap van een bakkerij zitten, waar de oven de stenen warm hield.

"Luister, voordat je denkt dat dit allemaal bedrog is," zei de priester. "Er kwam eens een vreemdeling bij een joodse leraar, en die zei: leer mij de hele wet, terwijl ik op één been sta. De eerste leraar sloeg hem weg met een meetlat. De tweede heette Hillel, en die zei: wat jou hatelijk is, doe dat een ander niet. Dat is de hele wet. De rest is uitleg. Ga leren."

Hij lachte zachtjes.

"Op één been! Er zijn in het oosten tempels waar iedereen, koning of knecht, naast elkaar op de grond zit en dezelfde soep eet, omdat niemand boven een ander staat. Er zijn mensen die in naam van hun god hun laatste brood weggeven, en die dat ook zouden doen als ze nooit meer iets terugkregen. Heb je iets beters? Ik niet. Dat is nou juist het probleem. Het is zo goed dat ik het niet wil verliezen. Maar dat het goed is, maakt het niet waar."

2:5
Wat iemand beter maakt, hoeft daarom nog niet te kloppen. Wat niet klopt, kan iemand toch beter maken.

"Hoe beginnen goden?" vroeg de jongen.

"Hoor je dat?"

Er ritselde iets in het donker van de steeg. De jongen keek vanzelf om.

"Een kat," zei de priester. "Maar jij dacht: iemand. Dat denkt elk mens. Wie in het hoge gras een ritseling hoorde en dacht het is maar de wind, heeft geen kinderen nagelaten. Wij stammen af van wie dacht: daar zit iemand. We horen overal iemand, jongen. In de donder, in de ziekte, in de oogst die mislukt. Iemand is boos. Iemand wil iets. Iemand kijkt."

"En daarna?"

"Daarna geef je die iemand een gezicht. Er was een Griek die daar een grap over maakte. De Ethiopiërs, zei hij, zeggen dat hun goden zwart zijn met platte neuzen. De Thraciërs zeggen dat de hunne blauwe ogen hebben en rood haar. En als paarden en runderen konden tekenen, zouden hun goden opvallend veel op paarden en runderen lijken."

De jongen lachte, voor het eerst in lange tijd. Toen lachte hij niet meer.

"Dus er is niemand?"

De priester zweeg zo lang dat de oven tikte.

"Dat mensen iets verzonnen kunnen hebben, betekent niet dat ze het verzonnen hebben," zei hij.

Toen stelde de jongen de vraag waarvoor hij eigenlijk door de sneeuw was gelopen.

"Mijn zusje is ziek. Kan God haar beter maken?"

De priester keek naar zijn handen.

"Er is een raadsel," zei hij. "Het is honderden jaren oud, en men zegt dat het van een Griek komt. Wil God het kwaad wegnemen en kan hij het niet? Dan is hij niet machtig. Kan hij het en wil hij het niet? Dan is hij niet goed. Wil hij het en kan hij het? Waar komt het kwaad dan vandaan?"

"Wat is het antwoord?"

"Wijze mensen hebben er hun leven aan gegeven. De mens moest vrij zijn, zeggen sommigen. Het is een beproeving. Wij begrijpen het niet. Job kreeg als antwoord een storm." Hij wreef over zijn ogen. "Ik had een dochter. Ze was zes. Ik heb elke dag gebeden. Ik was daar goed in, ik had ervoor geleerd. Op een ochtend was ze er niet meer, en ik ging naar de tempel en bad voor andermans kinderen."

Boven de stad begon het weer te sneeuwen.

"Ik zeg niet dat er niemand is," zei hij. "Ik zeg alleen dat ik heel lang heb geluisterd."

De man die God had gezien

Toen de dagen langer werden, kwamen de pelgrims.

Er was er één die iedereen moest zien. Hij zat op de tempeltrap, mager en verbrand door de zon, en zijn gezicht straalde. De mensen kwamen hem aanraken, want hij had God gezien.

De jongen ging naast hem zitten. Hij had de kist gezien en de klei en de priester, en hij wilde dit gezicht haten. Het lukte niet.

"Hoe was het?" vroeg hij.

De man keek hem aan, en zijn ogen stonden vol.

"Ik was drie dagen alleen op de berg, zonder eten," zei hij. "Toen verdween ik. Alles verdween, en er was alleen licht en liefde. Ik heb nooit zo veel zekerheid gekend. Vraag me wat je wilt en zeg wat je wilt, maar ik wás daar. Jij kunt mij mijn eigen ogen niet afnemen."

Dat kon hij ook niet. Dat was waar. De jongen dacht aan de bron, en aan hoe hij daar had gebruld tegen de rotsen, en voelde iets wat hij pas later herkende als jaloezie.

Drie dagen later zat er een vrouw uit het oosten bij de waterput. Ze had hetzelfde gezicht. Ze had op een andere berg gezeten en het licht had zich aan haar getoond, en het had een heel andere naam gehad, en het had haar precies het tegenovergestelde gezegd.

Hij bracht hen niet samen. Dat durfde hij niet.

"Ze liegen niet," zei de overschrijfster, en ze wees hem een fout aan. "Dat is de vergissing die spotters maken. Dat licht is echt. Vraag het iedereen die lang heeft gevast. Maar die twee op die trap zijn zeker, en ze kunnen niet allebei gelijk hebben. Dus zeker zijn bewijst niets." Ze legde de pen neer. "Een wijs mens, schreef iemand, stemt zijn geloof af op het bewijs. Wie zegt dat er iets is, moet het laten zien. Dat is de hele last, en die ligt niet op wie vraagt."

2:6
Wie iets beweert, draagt het. Wie vraagt, draagt niets.

"Ken je het verhaal van de olifant?" zei ze.

Een koning, vertelde ze, liet de blinden van zijn stad naar het paleis brengen en zette ze rond een olifant. Elk mocht één stuk voelen. Wie de kop had, zei dat een olifant een pot was. Wie het oor had, een wan. Wie de slagtand had, een ploegijzer. Wie de poot had, een pilaar. Wie de staart had, een stamper. Elk voelde wat hij voelde, en niemand loog. Ze begonnen te schreeuwen, en toen vloog de eerste vuist.

"Mooi verhaal," zei de jongen.

"Te mooi. Het is een verhaal van mensen die weten dat er een olifant is." Ze doopte de pen en reikte hem die aan. "Wie weet dat? Jij bent toch door de woestijn gelopen?"

Hij bleef stil zitten, met de pen in zijn hand.

Op de elfde dag had hij water gezien. Een blinkend meer vlak boven het zand, met bomen erin. Hij had het gezien met zijn eigen ogen, en hij had zijn tas laten vallen en was gaan rennen. Hij had erop durven zweren. Hij had erop durven sterven. Hij was er bijna op gestorven.

"Ja," zei hij langzaam. "Ik weet hoe zeker dat voelt."

2:7
De luchtspiegeling is echt. Het water niet.
2:8
Gelijk hebben voelt precies hetzelfde als je vergissen.
2:9
Dat je het voelde, is waar. Wat je voelde, is nog een vraag.

De vlam

Boven de bakkerij woonde een oude zangeres. Vroeger had de hele stad voor haar stilgestaan. Nu zat ze bij het raam met een doek op haar schoot, die ze opvouwde en weer openvouwde, en haar dochter voerde haar met een lepel.

De jongen bracht hen brood van de priester.

"Wie is die man?" vroeg de oude vrouw aan haar dochter, en ze keek angstig. Daarna: "Wie ben jij?"

"Ik ben het, moeder."

"Je mag mijn moeder niet zijn. Mijn moeder komt me halen." Ze sloeg naar de lepel. Deze vrouw had vroeger, vertelde de dochter later op de trap, nooit één hard woord gezegd. Nu vloekte ze als een voerman. Soms zong ze nog, plotseling, helder als een kind. Dan keek de dochter op met zoveel hoop in haar gezicht dat de jongen moest wegkijken.

Die avond zat hij bij de overschrijfster en kon hij niet schrijven.

"Waar is haar ziel?" vroeg hij.

"Vraag jij dat?"

"In mijn dorp zeiden ze dat de ziel is wie je bent. Dat die de dood overleeft. Maar ze is hier nog, en haar ziel is er al half uit. Waar is die heen? Hoe kan iets wat de dood overleeft, niet tegen een ziekte?"

Ze antwoordde niet. Ze stak een dunne kaars aan, en hield die bij de pit van een lamp. Toen blies ze de kaars uit.

"Is dit dezelfde vlam?"

"Nee. Of... ja."

"Er was een Griekse koning in India die een monnik uitdaagde. Dezelfde vraag. Is de vlam van het begin van de nacht dezelfde als de vlam van het eind van de nacht? Nee, zei de koning. Is het dan een andere? Ook niet, want het was de hele nacht één lamp. Wat is het dan? Niet hetzelfde en niet iets anders, zei de monnik. Zo is het ook met jou. Jij bent niet het kind van zeven, en je bent geen ander."

Ze hield haar trillende hand om de lamp.

"Wat men ziel noemt," zei ze, "is als een vlam. Dat is geen ding dat in het hout zit. Het is wat het hout doet, zolang het brandt."

Ze blies.

Het werd donker in de kamer. Er steeg een dunne draad rook op, en daarna was er niets meer dan de geur.

"Waar is hij heen?" vroeg ze zacht.

De jongen deed zijn mond open, en hij wist het antwoord, en hij wilde het niet weten.

"Nergens," zei hij.

2:10
Als het hout op is, gaat de vlam nergens heen.

Lange tijd bleef ze in het donker zitten, want hij huilde en ze wist dat hij zich daarvoor schaamde. Toen sloeg ze vuur.

"Weet je waar de tuin vandaan komt, en het vuur?" zei ze. "Ook dat staat in de kist. In de oudste boeken van dit volk is er geen tuin en geen vuur. De doden gaan naar de Sjeool, goed en slecht bij elkaar, in de stilte onder de grond. In de dood is er geen herinnering aan U, zingt een psalm. Wie zal U in het dodenrijk loven? Niemand wachtte op een beloning. Ze wisten niet beter, en ze leefden."

"En toen?"

"Toen kwam er een koning die hun geloof wilde breken. Hij vermoordde wie trouw bleef aan de wet, juist de besten, en juist de jongsten. Begrijp je? Dat kon niet. Dat ging niet op. Waar was het recht, als de trouwen stierven en de beulen oud werden? In die tijd verschijnt er een zin die daarvoor nog nergens zo stond: velen die slapen in het stof zullen ontwaken. Daarna komen de verhalen over martelaren die hun beul toeroepen dat ze zullen opstaan."

Ze wreef over haar pijnlijke vingers.

"Het is niet uit de hemel gevallen. Het is omhooggegroeid uit de graven van kinderen. Ik ben de laatste die daarom zal lachen. Er is niets menselijkers. Hoe groter het verdriet, hoe groter de tuin."

Hij dacht aan zijn zusje, aan de gloeiende hand, en hij wilde dat er een tuin was. Hij had nog nooit iets zo graag gewild.

"Hoe graag ik het ook wil..." begon hij.

"Ja," zei ze. "Dat weegt niets."

2:11
De hemel is gegroeid uit de graven van kinderen.
2:12
Hoe graag je het ook wilt, verlangen weegt niets op de schaal van wat waar is.

Buiten, ver weg, begon iemand te schreeuwen. Daarna veel mensen tegelijk.

De stenen

Ze sleurden haar over het tempelplein aan haar haren. Ze was de vrouw van de leerlooier, en ze had op de markt hardop gezegd dat ze niet meer geloofde wat er in het boek stond. Iemand had het gehoord. Iemand had haar ook bij een andere man gezien, zeiden ze nu, en dat was vast ook waar. De wet was duidelijk. Bij de muur lag de stapel, en er waren mannen die al iets in hun hand hadden.

De jongen rende, en achter hem kwam de overschrijfster, op haar stok.

Op de trap stond de Hoeder. Dit was de eerste keer dat de jongen hem zag. Hij had een duivel verwacht. Het was een rustige man met vermoeide ogen, die eruitzag alsof hij slecht sliep. Hij hief zijn hand niet op om het te beginnen. Hij keek alleen naar de grond, en hij hief zijn hand ook niet op om het te stoppen.

De priester stond al vooraan, en riep iets, en ze duwden hem opzij.

Toen zag de jongen iets wat hij zijn hele leven zou blijven zien. Die kleine, kromme vrouw liep de lege ruimte in, tot vlak bij de vrouw op de grond, en ze sloeg het heilige boek open. Ze hoefde het niet te lezen. Ze had het duizend keer overgeschreven. Haar stem was dun en droog, en het werd stil omdat niemand verwachtte dat ze iets zou zeggen.

"Er staat geschreven," zei ze.

Dat woord kon niemand negeren.

"Ze brachten bij Jezus een vrouw, en ze zeiden: Mozes heeft geboden zulke vrouwen te stenigen. Wat zegt u? En hij boog zich voorover en schreef met zijn vinger op de grond."

Ze boog zich voorover, moeizaam, en krabde met haar stok in het stof. Iedereen keek. Niemand zou ooit weten wat ze daar schreef.

Ze richtte zich op.

"En hij zei: wie van jullie zonder zonde is, werpe de eerste steen."

Het bleef heel lang stil.

Er viel ergens een steen op de grond. Niet naar haar. Gewoon uit iemands hand. Een oude man draaide zich om en liep weg. Daarna nog een. Ze gingen zoals het er staat, de oudsten eerst, en ze keken elkaar niet aan. De vrouw van de leerlooier lag op haar knieën, en begreep nog niet dat ze zou blijven leven.

Die nacht zat de jongen bij de kist, te trillen als zijn lerares, van iets wat op geluk leek.

"Dat was het mooiste wat ik ooit heb gezien," zei hij. "Dat staat er. Dat staat er echt! Hoe kun je zeggen dat er niets... daar is het toch, daar is iets waars, dat heeft haar gered."

Ze zei niets. Ze deed de twee sloten open, en haalde er de oudste rol uit, de bruinste, die op de bodem had gelegen. Ze rolde hem uit tot de plek waar het verhaal moest staan.

Hij kon nu lezen.

Hij las de regel ervoor. Hij las de regel erna.

Hij las ze nog eens.

"Waar is het?"

"Daar staat het niet," zei ze. "In de oudste afschriften die ik ken staat het niet. Ook bij de anderen die dit werk doen, staat het niet. Het is er later bij gekomen, lang na de man zelf. Een stuk verder of een stuk terug, in verschillende boeken op verschillende plekken, alsof niemand wist waar het hoorde. Iemand heeft het opgeschreven, of gehoord, of bedacht. Niemand kent zijn naam."

De jongen keek van de lege plek naar haar gezicht, en hij kreeg geen adem.

"Dus u wist het. U stond daar en u las iets voor wat niet..."

"Ja."

"Dus het is vals."

"Het is de beste zin die ik ken," zei ze. "En zij leeft."

2:13
De beste zin van het boek is geschreven door iemand zonder naam.
2:14
Iets hoeft niet van een god te komen om een steen tegen te houden.

Ze kwamen bij het eerste licht.

De Hoeder kwam zelf, met twee mannen. Hij klopte aan. Hij ging tegenover haar zitten en vroeg of ze goed had geslapen. Toen gaf hij zijn mannen een teken, en ze tilden de kist op.

"Veertig jaar," zei hij. "Ik weet al twintig jaar wat erin zit. Ik heb het laten liggen, omdat je de beste hand had van de stad."

"Je hebt ze gezien," zei de oude vrouw. "Gisteren. Stenen in hun hand, en jij stond erbij."

"Ik heb ze gezien. En jij hebt ze tegengehouden. Waarmee?" Hij hief zijn ogen naar haar op, en de jongen zag dat hij niet boos was. Hij was bang. "Met het boek. Ze zijn gestopt omdat het er staat. Omdat ze denken dat God het zei. Vertel ze wat er in die kist zit, en wat houdt hen dan nog tegen, de volgende keer? Jij? Heb je ze wel eens gezien, zonder God? Ik wel. Ik ken deze stad. Jij denkt dat je een blinddoek afneemt. Ik zeg je dat het een muilkorf is."

Niemand zei iets.

Hij wist er niets op te zeggen.

De oude vrouw kwam overeind, met haar twee handen op de stok.

"Die mensen hadden het boek al," zei ze. "Daarmee waren ze naar het plein gekomen."

Ze verbrandden de kist op het binnenplein, en de rollen wilden niet branden, en toen wel. Alleen de klei werd er harder van.

Haar namen ze mee. De priester ging met haar mee, zo ver als hij mocht. Bij de deur draaide ze zich nog een keer om. De jongen stond tegen de muur gedrukt met de pen nog in zijn hand. Ze kon hem niet meer aanraken, maar haar stem bereikte hem.

"Geloof ook mij niet," zei ze. "Alles wat ik je heb verteld, is overgeschreven. Ga kijken. En jongen. Als je ooit zelf een boek schrijft, schrijf er dan in dat het een boek is."

Hij heeft haar nooit meer gezien.

2:15
Als je ooit een boek schrijft, schrijf erin dat het een boek is.

De pas ging open.

Hij klom erheen met een klein stuk klei in zijn tas, dat hij uit de as had gehaald. Niemand hield hem tegen. Hij had de wereld afgelopen om één vraag te stellen, en nu had hij er geen plek meer voor.

Boven op de pas bleef hij staan, in de wind, en hij dacht aan alles wat er om zijn ogen had gezeten. Eén doek had hij verwacht. Het waren er veel geweest, de een onder de ander, stuk voor stuk zacht geknoopt. Het boek dat geen god had geschreven. De stem die nooit had geantwoord. De ziel die nergens heen ging. De tuin waar zijn zusje had moeten zijn.

Hij had gedacht dat hij licht zou zien.

Dat had iedereen hem beloofd die ooit had getwijfeld: de waarheid maakt vrij. Hij had gedacht dat je, als de laatste doek viel, zou kunnen ademhalen. Hij had het zich voorgesteld als een ochtend.

Er stond niemand achter de doek. Daar was alleen de wereld, en die keek niet terug. Er was steen en lucht en een eindeloze kou, en daarin, heel klein, een jongen die aan zijn zusje had beloofd het te gaan vragen, en die nu wist dat er niemand was om het aan te vragen.

Hij probeerde te bidden, uit gewoonte, en hij merkte dat hij geen woorden meer had.

Toen begon hij te begrijpen wat hij had gedaan.

Als je hier wilt stoppen, is dit een goede plek. Dat is geen grap. Niemand hoeft door deze deur. Sommige mensen hebben hun hand naar hun ogen gebracht, de doek gevoeld, en hem laten zitten, en goed geleefd.

Wie toch wil weten wat er na de laatste doek komt: het wordt eerst donkerder.

Blijf dicht bij het vuur. Het is nog lang geen ochtend.