Deel 3
De lege handen
De voerman
Aan de andere kant van de pas was het lente, en dat nam hij de wereld kwalijk.
Boven had hij in de wolken gelopen, een hele dag, zonder zijn eigen voeten te zien. Om de honderd passen dook er een stapel stenen op, zo hoog als een kind, en van stapel naar stapel was hij omlaag gekomen zonder erbij na te denken. Toen brak de wolk open, en daar lag het dal. Er liepen lammeren in. Het water sprong van de rotsen. Een vogel zong alsof er niets was gebeurd.
Er was ook niets gebeurd. Dat was het hem juist. Hij had de hemel leeg gevonden, en het gras groeide door.
Op de vierde dag kwam hij bij de plek waar de weg zich splitste. Daar zat een voerman onder een boom, naast een ezel met een zere poot, en hij deelde zijn uien.
"Waar moet je heen?"
De jongen noemde de rivier, en het dorp erboven. Het was jaren geleden dat hij dat woord had uitgesproken. Het voelde vreemd in zijn mond, als een tand die er niet meer zat.
"Dat ken ik," zei de voerman. "Daar kom ik elk najaar, voor de wol. Linksaf, twaalf dagen. De regen is daar teruggekomen, wist je dat? Ik ken ze allemaal, in die vallei. Ik heb er nog gegeten, bij het laatste huis voor de brug."
Bij het laatste huis voor de brug.
De ezel stampte. Een vlieg liep over de ui in zijn hand. Hij hoorde zijn eigen hart, zoals hij het had gehoord in de gang onder de grond.
"Wil je iets weten?" zei de voerman. "Heb je daar nog mensen?"
Eén woord maar. Hij hoefde haar naam maar te zeggen. Deze man wist het. Deze man met zijn ui, op deze steen, had het antwoord in zijn hoofd zitten, zoals je een muntje in je wang houdt.
Als ze dood was, was ze nergens. Dat wist hij nu. Niet in een tuin, niet in een vuur, niet op een schaal. Een vlam die was uitgeblazen.
En als ze nog leefde, zou ze hem aankijken met die te grote ogen, en dan zou ze het vragen. Hij had het beloofd. Ik ga het vragen, had hij gezegd. Wacht op mij. Hij had de hele wereld afgelopen, en hij kwam thuis met dit: er is niemand die weegt. Je hebt gestolen voor mijn honger, en niemand heeft het gezien. Je koorts was geen straf en ook geen beproeving. Hij was gewoon koorts.
Zolang hij het niet vroeg, lag ze nog onder de deken. Zolang hij het niet vroeg, wachtte ze.
"Nee," zei hij. "Niemand."
De voerman haalde zijn schouders op, en spande de ezel in.
De jongen bleef zitten tot de kar uit het zicht was. Toen stond hij op en nam de weg naar rechts.
Wie niet vraagt, houdt iedereen in leven. Dat is de hele list.
De lamp bij daglicht
Het was een stadje aan de voet van de bergen, met een markt, en het eerste wat hij er zag was een man met een brandende lamp.
Het was klaarlichte dag. De zon stond recht boven de kramen. De man rende tussen de manden door, met de lamp voor zich uit, en hield hem bij de gezichten van de mensen.
"Ik zoek God!" riep hij. "Ik zoek God!"
Ze lachten. Het was een stad van kooplui, en daar hadden de meesten het niet zo op de hemel.
"Is hij verdwaald?" riep de visvrouw.
"Is hij op reis gegaan?" riep iemand anders. "Had je hem geld geleend?"
De man bleef staan. Zijn ogen waren rood van het slaapgebrek, en hij keek om zich heen tot het stil werd, en toen keek hij recht naar de jongen, die net de markt op was gelopen, met het stof van de pas nog op zijn benen.
"Waar is hij heen?" zei hij. "Dat zal ik je vertellen. Wij hebben hem gedood. Jij en ik."
De jongen voelde het koud worden, midden in de zon.
"Hoe hebben we dat gedaan? Hoe konden we de zee leegdrinken? Wie gaf ons de spons om de hele horizon weg te vegen? Waar gaat de aarde nu heen, nu we haar hebben losgemaakt? Vallen we niet? Is er nog een boven en een onder? Wordt het niet kouder? Moeten we niet overdag lampen aansteken?"
Niemand zei iets. Ergens kakelde een kip.
De man keek naar al die monden die openstonden. Toen liet hij de lamp vallen, en die brak op de stenen, en de olie brandde even op de grond en ging uit.
"Ik ben te vroeg," zei hij. "Jullie weten het nog niet. Het licht van een ster doet er ook lang over."
De mensen gingen weer aan het werk. De jongen bleef staan bij de scherven.
Hij had altijd gedacht dat ongeloof iets was voor wie lachte. De man in de grote stad, die op tafel had geslagen. Die vrij was als een vogel. Hij had niet geweten dat je zo kon kijken: als iemand die het huis heeft zien instorten waar de anderen nog in zitten te eten.
Wie de hemel leegveegt, breekt ook zijn eigen dak af.
De blinde koopman
Bij de bron hing een plank: Gezocht, iemand die kan lezen. Hij was de enige in de hele straat die het kon lezen.
Het huis lag buiten de muren. Hij liep door een poort, langs een vijver met oude vissen, langs wijnranken en vruchtbomen in rijen, langs een zaal waar twee vrouwen op snaren speelden voor niemand. In de tuin zat een man in een stoel, met zijn gezicht naar de zon en een doek over zijn knieën. Zijn ogen waren wit als gekookt ei.
"Lees," zei hij, en hij stak een rol naar voren.
De jongen rolde hem open. Zijn vingers herkenden het kalfsvel, en de letters waren de letters van de oude vrouw. Het deed zo'n pijn dat hij even niets zag.
"Woorden van de Prediker," las hij. "Lucht. Lucht, zegt de Prediker. Alles is lucht."
"Goed," zei de koopman. "Je klinkt alsof je het weet. Je bent aangenomen."
Zo las hij, die zomer, elke morgen hetzelfde boek. Hij kende de naam. Hij had het ooit horen noemen door een oude man op een zak, in de woestijn, en toen waren de messen stil gevallen.
"Dit staat in het heilige boek?" vroeg hij op de derde dag. "In hetzelfde boek als de schaal?"
"Ze hebben erover gevochten," zei de koopman, tevreden. "Wijzen die hun leven aan de wet gaven, zaten eromheen te ruziën of het er wel in mocht. Het is erin gebleven, God weet hoe. Weet je wat er in de oude taal staat, op de plek van dat woord lucht? Adem. Damp. Wat er uit je mond komt op een koude ochtend. Je ziet het, het is er echt, en je grijpt ernaar. Alles is dat."
Hij tikte op de armleuning.
"Lees verder. Het stuk over de tuinen."
De jongen las. Ik bouwde huizen. Ik plantte wijngaarden. Ik legde tuinen aan, en vijvers. Ik had knechten, en goud, en zangers en zangeressen. Wat mijn ogen verlangden, gaf ik hun. Toen keek ik naar alles wat mijn handen hadden gedaan, en het was lucht, en jagen op de wind.
Hij keek op, naar de vijver en de wijnranken.
"Ja," zei de koopman. "Ik heb het uit dat boek. Ik las het toen ik twintig was, en ik dacht: die man heeft het niet goed aangepakt. Ik ga het beter doen."
Hij lachte tot hij moest hoesten.
"Veertig jaar. Alles wat mijn ogen verlangden, gaf ik hun. En toen gingen ze dicht."
Je kunt alles hebben en nog steeds niet weten waarvoor.
Op een heldere morgen, toen de druiven zwaar begonnen te hangen, las hij een stuk waar hij overheen had gelezen.
De wedloop is niet voor de snellen, de strijd niet voor de sterken, het brood niet voor de wijzen. Tijd en toeval treffen hen allemaal.
Hij las het nog een keer, zachter.
Het jaar dat de regen wegbleef. Hij had in die jaren veel gedacht over dat jaar. Eerst was het een straf geweest, want dat zei de oude man in het dorp. Daarna, in de woestijn, was het een beproeving geweest, of de wil van iemand die hij niet begreep. Daarna was het onrecht geweest, en daar was hij kwaad om, en van die kwaadheid had hij kunnen lopen. Want wie kwaad is, is kwaad op iemand.
Nu zat hij in een tuin, met een rol op zijn knieën, en voor het eerst dacht hij het tot het einde door.
Er had niemand besloten dat het niet zou regenen. De wolken waren ergens anders heen gegaan, zoals wolken doen. Het koren had niets betekend. Zijn vader had niets betekend. Het kind dat een brood stal en een maand later koorts kreeg: die twee dingen hadden elkaar nooit ontmoet.
Geen plan. Geen doel. Niemand die zat te kijken hoe het zou aflopen.
"Je bent gestopt," zei de koopman.
"Een straf," zei de jongen langzaam. "Daar kun je tenminste iets mee doen. Die kun je verdienen. Die kun je afbidden. Je kunt erom schreeuwen."
De witte ogen draaiden naar hem toe.
"Ja," zei de oude man. "Zo ver was ik toen ik vijftig was. Ga nu maar. Morgen lezen we verder."
Een straf kun je tenminste verdienen. Toeval niet.
Niemand heeft je dit aangedaan. Dat is de troost, en dat is de kou.
De drie munten
De koopman telde elke avond zijn geld. Hij deed het op het gevoel, aan de grote tafel, en de munten bleven daarna op een open schaal liggen, want wie zou er kijken?
Dat bedacht de jongen zelf, op een nacht, en hij bleef ermee wakker liggen.
Hij had geen geld nodig. Hij at goed. Hij had nog nooit van zijn leven iets gestolen, op een brood na dat hij had gegeten en dat een ander had gehaald. Maar hij had de ring gedragen, helemaal de berg op, en nu wilde hij weten wat hij aan zijn vinger had.
Hij stond op. Hij liep op blote voeten de zaal in. De maan lag op de tafel, en hij nam drie gouden munten en ging terug naar bed.
Toen wachtte hij.
Hij had zijn leven lang geweten wat er nu kwam. Het kwam in zijn maag en het kwam in zijn dromen. Er zou iets breken, of hij zou ziek worden. Er zou een hand op een muur schrijven.
De zon kwam op. De koopman vroeg om zijn rol. De vissen hapten naar de vliegen. Hij at twee sneden brood en het smaakte naar brood.
Hij wachtte de hele dag, en de dag daarna. Hij liep over de rand van de vijver om het de hemel makkelijk te maken. Niets. Hij sliep goed, en dat was het vreselijkste. Hij lag 's nachts met drie stukken goud onder zijn hoofd, en er kwam geen klap en geen stem, en er kwam ook geen vrijheid. Er was geen brullende man die op tafel sloeg. Er was alleen een jongen in een bed.
Hij had altijd gedacht dat het ergste was dat je gezien werd.
De ergste straf, voor wie er een verwacht: er komt er geen.
De vierde nacht legde hij ze terug.
Hij kon niet zeggen waarom. Het was niet uit angst, want daar had hij drie dagen op gewacht en die was niet gekomen. Het was niet voor de tuin, want die was weg. Hij stond in het maanlicht met drie munten in zijn hand, en legde ze in de schaal, en ging slapen, en hij voelde zich er niet beter door.
De volgende morgen, midden in een regel, zei de koopman: "Drie."
De jongen hield op met lezen.
"Ik tel elke avond," zei de oude man. "Dacht je dat ik die tafel nodig heb om mijn geld te kennen? Mijn vingers zijn beter dan jouw ogen. Drie nachten was ik er drie kwijt. Toen had ik ze weer."
Het bleef stil. Een wesp liep over de rand van de beker.
"U hebt niets gezegd."
"Ik was benieuwd." Hij draaide zijn witte ogen naar de zon. "Waarom heb je ze teruggelegd? Er is niemand, zei je laatst. Ik ben blind. Niemand wist het."
"Dat weet ik."
"Waarom dan?"
De jongen dacht aan de Hoeder, die tegenover de oude vrouw had gezeten. Wat houdt hen dan nog tegen?
"Ik weet het niet," zei hij.
De koopman knikte, alsof dat het eerste verstandige was dat hij die zomer had gehoord.
"Bewaar dat maar," zei hij. "Je begrijpt het nu nog niet. Lees verder."
De put
Toen de druiven waren binnengehaald, kreeg de koopman het aan de borst. Hij kwam niet meer in de tuin. De jongen las aan zijn bed, en 's avonds, als de oude man niet kon slapen, draaide het om, en vertelde de blinde.
"Een reiziger wordt in een woestijn achternagezeten door een wild beest," zei hij. "Ik heb het van een koopman uit India, die het had van een monnik, en een ander zei me dat het in hun heldendichten staat. Elk land denkt dat het van hen is. Luister. Hij ziet een oude put en klimt erin om te schuilen. Halverwege kijkt hij omlaag. Op de bodem zit een draak, met zijn bek open. Boven staat het beest. Hij kan niet naar boven en niet naar beneden. Dus grijpt hij een tak, die uit de muur van de put groeit, en daar hangt hij aan.
"Zijn armen worden moe. Dan hoort hij iets. Twee muizen, een witte en een zwarte, lopen om de tak heen en knagen eraan. Om beurten. Dag en nacht.
"Hij weet dus hoe het afloopt. En dan ziet hij dat er op de bladeren van de tak een paar druppels honing zitten. Hij steekt zijn tong uit en likt."
Het vuur tikte.
"Dat is het?" zei de jongen.
"Dat is het. De mensen die het vertelden zeiden: kijk hoe dwaas we zijn, hangend boven de dood, likkend aan de honing. Er was eens een rijke man in het hoge noorden, die alles had wat de Prediker had, een vrouw die hij liefhad en kinderen en een beroemde naam. Hij was rond de vijftig en gezond toen hij dit verhaal hoorde, en hij schrok. Want hij hing ook aan de tak, zei hij, en hij kon de draak zien, en bij hem was de honing niet zoet meer. Hij stak zijn tong uit en het smaakte nergens naar."
De oude man wachtte even.
"Eet jij nog?"
De jongen gaf geen antwoord.
Hij had het zelf nog niet in woorden gehad. Het was niet plotseling gekomen. Het was gekomen zoals de kou in een huis komt als het vuur uit is. De muzikanten speelden in de zaal, en het was geluid. De druiven waren goed geweest, zeiden ze. Hij at wat voor hem stond, en hij kon je zeggen dat het warm was. 's Ochtends werd hij wakker, en dan was er een kort ogenblik waarin hij niets wist, en dan viel het weer op zijn borst, en hij kon niet eens zeggen wat het was. Het was geen verdriet. Verdriet had hij gekend. In verdriet zit iemand. Dit was een lege kamer, en hij was de kamer.
"Nee," zei hij.
"Dat dacht ik al," zei de koopman. "Je leest het de laatste tijd zo goed."
Verdriet is een huis waar iemand ontbreekt. De leegte is een huis dat er niet staat.
De eerste vorst lag op de vijver toen de oude man vroeg om het slot van de rol.
De jongen las. Zijn stem was het enige geluid in de kamer. Lucht, lucht, alles is lucht. Hij rolde door, naar de laatste regels, die hij nog nooit hardop had gelezen.
Vrees God en houd zijn geboden, want dat is de hele mens. Want God zal elk werk in het gericht brengen, en al het verborgene, of het goed is of kwaad.
Hij stopte.
Hij kende die regel. Dat was de schaal. Daar stond de schaal, op de allerlaatste plek, netjes neergezet, aan het eind van het boek dat van begin tot eind had gezegd dat iedereen naar dezelfde plek gaat.
Uit het bed kwam een geluid, en het duurde even voor hij begreep dat de koopman lachte.
"Hoor je het?" zei hij, en hij kreeg bijna geen lucht. "Hoor je de hand? Dat is hij niet. Zeggen de meesten die zulke rollen hebben bestudeerd. Iemand kreeg dat boek in zijn handen en hij durfde het zo niet achter te laten. Een man had naar de leegte gekeken, en daar staat ineens iemand achter hem, met een deken."
Hij vond de hand van de jongen. De zijne was droog en heet.
"Ik neem het hem niet kwalijk," zei hij. "Ik zou het ook hebben gedaan, als ik had durven schrijven. Rol terug. Terug. Naar de hond en de leeuw."
De jongen rolde.
"Lees."
Een levende hond is beter dan een dode leeuw. Ga, eet je brood met vreugde.
"Hij wist het ook," zei de koopman. "Dat vergeet iedereen. Dezelfde man. Alles lucht, hoor je? En ga, eet je brood. Wat je hand vindt om te doen, doe het. In hetzelfde boek. Ik heb veertig jaar over dat stuk heen gelezen, want ik had goud." Zijn hand werd slapper. "Ik heb geen idee wat het betekent. Ik zou het graag... Nee. Blijf nog even zitten."
Hij bleef zitten. De oude man was niet bang, en hij was ook niet getroost. Hij lag daar als iemand die wacht op een kar. Tegen de morgen hield het ademen op, en boven zijn mond, in de koude kamer, bleef niets meer hangen.
Het boek dat alles lucht noemt, zegt ook: eet je brood.
De steen
De neven kwamen, en telden, en gaven hem wat hij had verdiend en een half brood, en de poort ging dicht.
Hij begon te lopen, omdat hij niet wist wat hij anders moest doen. De wegen die de stad uit liepen, leidden allemaal ergens heen, en hij nam degene die omhoog ging, omdat daar niemand woonde die hem iets zou vragen. De bomen werden dunner. Er viel wat sneeuw die niet bleef liggen, en toen viel er sneeuw die wel bleef liggen.
Op een grijze middag zag hij hoog op de helling iets bewegen.
Het was een mens, gebogen als een haak. Het klom zo traag dat hij eerst dacht dat het een rotsblok was dat hij verkeerd zag. Er zat een steen op haar rug, in een draagstel van leer, en die steen was zo groot als een schapenkop. Ze zette een voet. Ze wachtte. Ze zette de andere voet.
Tegen de avond kwam ze omlaag met een lege rug. Het was een vrouw van ongeveer zestig, met een gezicht als een oude schoen. Ze keek naar hem alsof hij een geit was die iemand daar had laten staan.
"Er is soep," zei ze. "In de schuur is hooi. Ik vraag niets."
De volgende morgen ging ze weer naar boven, met een steen, en de morgen daarna. Hij zag het vanuit de schuur. Elke dag dezelfde helling. Elke dag één steen, en elke dag kwam ze terug en at ze haar soep, en ze zei hooguit iets tegen de geiten.
De helling was de weg naar de pas, leerde hij. Boven waren stapels stenen die zij al die jaren overeind hield. Elke winter kwam de sneeuw van de berg, nam ze mee en gooide ze in het dal, en elk voorjaar en elke zomer en zo lang het maar kon, zette zij ze weer op. Niemand betaalde haar. Niemand had het haar gevraagd. Haar man had het eerst gedaan, en die was gestorven, en toen had zij de volgende morgen het draagstel gepakt.
Op de negende avond zei hij iets.
"Ik heb over u gelezen."
Ze keek op van haar kom.
Hij vertelde het haar. De koopman had hem niet alleen de Prediker laten lezen, er was ook een lang gedicht over een man die de doden bezocht. Daar zag hij Sisyphus, die de goden had bedrogen, en die ze nu straften: met twee handen duwde hij een enorme steen tegen een berg op. En elke keer als hij bijna boven was, rolde de steen, de meedogenloze steen, terug naar de vlakte. Het zweet liep van hem af en de damp steeg van hem op, en hij begon opnieuw. Voor altijd.
"Dat is de ergste straf die de goden konden bedenken," zei de jongen. "Werk dat nergens toe leidt. En iemand schreef ooit dat je je hem gelukkig moet voorstellen. Dat hij, bij het teruglopen, de berg voor zich heeft en het weet. Dat de steen van hem is."
Ze kauwde een tijdje.
"Wie schreef dat?"
"Dat weet ik niet."
"Heeft die wel eens een steen gedragen?"
Ze zette de kom neer, stond op, draaide zich om en trok haar kleed omhoog. Op haar rug zaten twee banen eelt, van haar schouders tot haar heupen, als de sporen van een kar. Daarnaast zat een stuk dat rauw was.
"Gelukkig," zei ze. "Ik heb pijn in mijn rug, jongen. Ik heb al twintig jaar pijn in mijn rug. Ik ga naar boven omdat ik naar boven ga. De helft van de tijd vloek ik. Als je hem gelukkig wilt voorstellen, doe dat maar. Hij zal er niets van merken."
Ze ging weer zitten.
"Maar die man in jouw gedicht heeft één ding dat ik niet heb. Hij heeft iemand die het hem aandoet. Boven hem zitten ze te kijken, of hij het nog volhoudt. Dat is de hele straf: dat ze kijken. Hier kijkt niemand. Denk je dat ik dat niet weet? Denk je dat ik daar niet aan gedacht heb, al die jaren, op die helling? Er is niemand die mij dit oplegt, en er is niemand die het ziet. Dus het is geen straf."
"Wat is het dan?"
"Een steen."
Zonder goden is de steen geen straf. Het is alleen een steen.
Hij keek naar het vuur.
"Maar waarom doet u het?" zei hij. "Volgend jaar is het weer weg. U weet dat het weer weg is. Waarom?"
"Waarom eet jij?"
"Ik eet niet."
Ze keek hem aan, nu voor het eerst echt, van zijn gezicht naar zijn polsen en weer terug.
"Nee," zei ze. "Dat zie ik."
De nacht
Wat nu komt is niet mooi, en dit boek gaat het niet mooi maken.
Het begon met sneeuwen en het hield niet op. Op een morgen stond hij niet op. Er was geen reden. Hij lag in het hooi en dacht aan opstaan, zoals je aan een land denkt waar je nooit zult komen. Zijn benen waren er nog. Ze hadden alleen niets meer met hem te maken.
Hij bleef liggen. Het werd licht en het werd donker. Hij at niet.
De nacht kwam, en de nacht had argumenten.
Dat was het griezelige. Hij had altijd gedacht dat zulke nachten uit angst bestonden, uit geschreeuw. Maar deze was rustig en zeker en ze sprak met de stemmen van mensen die hij had vertrouwd. Er is geen plan. Dat was waar. Niemand kijkt. Dat was waar. Alles is lucht. Dat stond er. De vlam gaat nergens heen. Dat had hij zelf gezegd, in het donker, met zijn mond.
En uit die zinnen, die allemaal klopten, bouwde de nacht langzaam een zin die niet klopte, en hij zag de naad niet.
Dus maakt het niet uit of jij er bent.
Je hebt haar laten wachten. Je hebt een kind laten wachten dat voor jou heeft gestolen. Je hebt een oude vrouw naar de Hoeder laten gaan en je stond tegen de muur. Niemand heeft iets aan je.
Hij wilde niet dood. Dat zei hij later, en daarna wist hij niet meer of het waar was. Hij wilde dat het ophield: het wakker worden, het gewicht, de kamer die hij was. In die nacht leek dat hetzelfde. Dat is het niet. Maar dat kon hij toen niet zien.
Hij wist ook niet meer dat hij dit eerder had meegemaakt. Dat hij op de elfde dag in de woestijn een meer had gezien, en dat hij erop had durven sterven. Het kwam niet bij hem op. Dat is wat zo'n nacht doet. Ze neemt je eerst je geheugen af en daarna geeft ze je haar conclusie. Niets in zijn leven had ooit zo zeker gevoeld.
De wereld heeft geen doel. Dat is iets anders dan: jij bent niets waard. In de nacht zie je de naad niet.
De nacht weet alles zeker. Dat is juist wat er niet aan klopt.
Op de derde dag ging de deur van de schuur open, en stond ze daar met sneeuw op haar schouders.
Ze keek naar hem, en ze keek naar de kom van gisteren, die koud naast hem stond. Ze vroeg niets. Ze zei niet dat het leven mooi was. Ze zei niet dat hij jong was. Ze zei niet dat er mensen waren die het slechter hadden. Ze zette de soep neer en ging naast hem in het hooi zitten, met een kreun, en daar bleef ze.
De hele middag zat ze daar. De sneeuw tikte tegen het hout. Er was een man die Job heette, wist hij van de rollen, die zijn kinderen had verloren en die op een asbelt zat te krabben aan zijn zweren. Zijn vrienden kwamen van ver, en ze gingen bij hem op de grond zitten, zeven dagen en zeven nachten, en niemand zei een woord, omdat ze zagen hoe groot de pijn was. Het beste wat ze ooit deden. Daarna begonnen ze uit te leggen.
Deze vrouw legde niets uit.
Toen het donker werd, zei hij iets, en zijn stem kraakte van het niet gebruiken.
"Ik wou dat ik nooit was geboren."
Hij had verwacht dat ze zou schrikken. Ze knikte alleen.
"Ja," zei ze.
Na een lange tijd zei ze: "Dat zei Job ook. Dat staat er gewoon in, hoor. Vervloekt de dag. Ik ken dat stuk, mijn man kon lezen. Ik heb het zelf ook gezegd. Hier, in dit hooi. De winter dat ik hem van de berg haalde."
Hij draaide zijn hoofd.
"Ik lag hier," zei ze. "Het was stil, en het was erg logisch allemaal. Ik weet precies hoe logisch het was. En toen begon de geit te schreeuwen, want die moest gemolken worden. Het kon die geit niet schelen wat ik had bedacht."
Ze schoof de kom naar hem toe.
"Ik ga je niet vertellen dat het goed komt. Dat weet ik niet. Ik zeg je wat ik weet: de nacht weet niets over morgen. Ze doet alsof. Dat is het enige wat ik in al die jaren geleerd heb. Ik heb zo veel nachten gehad die zeker wisten hoe het zou zijn, en ze hadden het niet één keer goed. Eet."
Hij at. Drie happen. Het smaakte nergens naar.
Ze bleef zitten tot hij sliep.
Als je niet weet wat je moet zeggen, ga dan zitten. Dat is het meeste wat een mens ooit voor een ander heeft gedaan.
Dit stuk is voor jou, als je nu zelf in zo'n nacht zit. Het is in gewone woorden, zonder verhaal.
Wat de nacht tegen je zegt, klinkt als de waarheid. Het is pijn die in zinnen spreekt. Pijn die zo groot is, kan niet verder kijken dan zichzelf, en daarom weet ze niet wat er morgen is. Ook als alles wat ze zegt logisch klinkt.
Blijf er niet alleen mee. Zeg het vandaag hardop tegen een mens: iemand bij wie je kunt gaan zitten, of iemand die hier verstand van heeft. Zeg het precies zoals het is. Dat is geen zwakte, en je valt niemand lastig.
Achter in dit boek staat een bladzijde die Als je niet meer wilt heet. Sla die nu op. De rest van dit verhaal kan wachten. Het wacht op je.
De twee handen
"Sta op," zei ze. "Ik heb handen nodig."
Het was licht. Het was opgehouden met sneeuwen. Hij had geen idee hoeveel dagen het was. Ze stond in de deuropening met het draagstel over haar arm.
"Ik kan niet."
"Dat vroeg ik niet."
"Ik voel niets. Ik heb geen reden. Ik heb er niets aan om..."
"Ik vraag ook niet of je iets voelt. Ik zei dat er een steen ligt die ik niet alleen kan tillen. Hij is van de bergkant gerold en hij ligt op de weg. Ik word oud. Ik heb twee handen nodig, en jij hebt er twee."
Hij keek naar zijn handen. Ze lagen op het hooi, leeg, ver weg. Ze hadden ooit water gedragen. Ze hadden letters geschreven. Ze hadden gouden munten vastgehouden en weer neergelegd. Ze waren niets kwijt, want er zat niets in.
Niemand had hem de hele winter iets gevraagd, behalve of hij at.
Hij stond op. Dat is alles wat er gebeurde. Er kwam geen licht. Zijn benen trilden, en buiten sneed de kou in zijn gezicht, en hij had een hekel aan haar.
De steen lag waar ze had gezegd. Het was geen grote steen, en hij zag dat ze hem best had kunnen tillen. Hij zei het niet, en zij ook niet. Ze legde zijn handen eronder, zo, en ze telde tot drie.
Het deed pijn. Dat was het eerste wat hij sinds maanden duidelijk voelde.
Vraag niemand in de leegte waarom. Vraag om twee handen.
Daarna ging hij elke dag mee.
Het werd niet beter, en daarna werd het een beetje minder erg, en hij kon nooit aanwijzen op welke dag. Hij had 's avonds spierpijn, en van spierpijn sliep hij. Op een morgen merkte hij dat hij de soep wilde hebben voor ze klaar was. Op een andere morgen, op de helling, schoot hij in de lach omdat de oude vrouw een geit vervloekte in een taal die hij niet kende. Daarna liep hij een uur lang geschrokken over die lach, alsof hij iets had gestolen.
Op de eerste dag dat de sneeuw hard genoeg was om erover te lopen, gingen ze tot helemaal boven. Hij droeg de steen. Vijf stenen had hij al jaren in zijn schoen, en die dag dacht hij er niet één keer aan.
De wolken trokken weg, en daar stond de stapel.
Hij was half omgewaaid, zo hoog als een kind, met sneeuw aan de ene kant. Verderop stond er nog een. En nog een, in een lange rij, omlaag door de witte stilte, om de honderd passen, helemaal tot aan de andere kant.
Hij liet de steen zakken. Zijn mond was droog geworden.
"Ik ben hier geweest," zei hij.
Ze was bezig met haar rug en keek niet op.
"Vorig voorjaar. Ik kwam van de pas af, ik zat in de wolken. Een hele dag. Ik kon mijn eigen voeten niet zien, er was geen weg, er was niets. Rechts van het pad is het een afgrond, hè? Dat wist ik niet eens. Ik ben van stapel naar stapel gelopen. Ik heb er niet eens over nagedacht. Ik dacht dat die er gewoon stonden."
De oude vrouw hield op met bewegen.
Ze bleef een hele tijd staan, met haar hand op haar rug, en keek hem aan. De wind trok aan haar hoofddoek. Hij had dat gezicht in al die maanden niets zien doen, en het deed nu ook niet veel. Er ging alleen iets langzaam door haar heen, zoals water door droge grond.
"Veertig jaar," zei ze.
"Hebt u dat nooit..."
"Wie zou dat zeggen? Wie goed aankomt, loopt door. Die zie ik niet. De anderen vind ik in het voorjaar." Ze veegde met haar mouw langs haar neus. "Eén, dus."
"Eén."
"Mooi."
Hij voelde iets in zijn borst dat hij niet wist te noemen. Hij vroeg het, want hij wilde het weten, en hij was bang voor het antwoord.
"En als ik er niet was geweest? Als er nooit iemand was geweest? Al die jaren, en niemand?"
Ze bukte zich, greep zijn steen, en zette hem op de stapel, en draaide hem een stukje tot hij goed lag.
"Dan had ik vandaag ook gedragen," zei ze.
Wie de weg wijst, ziet nooit wie er thuiskomt.
Er is geen reden nodig om de steen op te tillen. Soms kom je er daarna een tegen.
Ze gingen op een rotsblok zitten, uit de wind, en ze deelde het brood.
Het smaakte naar brood. Hij hield het even in zijn mond.
"Waar liep je eigenlijk heen," zei ze, "toen je hier langskwam?"
Het was lang stil.
"Naar huis," zei hij.
"En ben je daar gekomen?"
Toen vertelde hij het. Hij had het nog aan niemand verteld. De koorts en het brood, en de vraag. De voerman onder de boom, die het wist. Het laatste huis voor de brug. Hoe hij de ui had opgegeten en rechtsaf was gegaan.
Ze hoorde het aan zonder iets te zeggen, en kauwde.
"Doeken," zei ze toen. "Daar was je trots op, dat heb je me verteld. Zo veel had je er afgedaan." Ze tikte tegen zijn voorhoofd, hard, met één vinger. "En deze? Deze heb je zelf geknoopt."
De laatste doek knoop je zelf.
Hij wist het. Hij had het geweten sinds de ezel stampte.
"Ik kan nog niet," zei hij. "Ik heb een keer tegen een weduwe gezegd dat er misschien niets gewogen wordt. Ze vroeg wat ik haar dan in de plaats gaf. Ik had niets. Ik weet nog steeds hoe dat voelde." Hij keek naar zijn handen, die vol zaten met blaren. "Mijn zusje heeft me iets gevraagd. Als ze nog leeft. Ik kan daar niet aankomen en zeggen: er is niemand, en verder weet ik het ook niet. Niet met lege handen."
"Wat wil je dan meenemen?"
"Ik weet het niet."
"Nee," zei ze. "Maar nu weet je wat je niet weet. Dat is meer dan vorige week."
Ze wees met haar korst naar het zuiden, over de witte kammen, naar waar de lucht lager werd.
"Als de weg open is, ga je naar beneden. Niet hierheen terug. Er is hier niets meer voor je, dit is mijn steen, zoek je eigen. Aan de kust is een stad, en daar zit een vrouw op een dak. Ze is net zo gek als ik. Ze kwam hier ooit langs, op zoek naar een hoge plek, en ze bleef drie nachten buiten liggen, in de vorst, om naar boven te kijken, zonder iets te vragen. Ze zei dat ze iets aan het tellen was. Ze zei dat ik geen idee had waar die stenen van gemaakt waren." Ze snoof. "Ik heb haar soep gegeven. Daar begrijp ik niets van, maar ze had goede ogen."
In zijn laatste nacht op de berg kwam hij naar buiten, omdat hij wakker was.
Het was windstil, en zo koud dat de lucht kraakte. Er was geen maan. Boven hem hing wat er altijd had gehangen, wat hij in de woestijn niet had kunnen tellen, wat op de pas niet had teruggekeken. Hij had er in geen jaar naar opgekeken. Hij had geweten wat hij zou zien: niemand.
Hij zag niemand.
Niemand keek. Geen oog, geen schrijver, geen schaal. Er kwam niets terug. De kou was dezelfde kou, en zijn zusje was even ver, en hij wist nog steeds niet of ze leefde.
Hij bleef staan.
Hij stak zijn handen in zijn oksels en bleef staan, en toen het hem in zijn nek begon te doen, stond hij er nog. Hij wist niet waarom. Het viel hem pas later op dat hij het voor het eerst had gedaan zonder iets te vragen.
Hij keek naar zijn handen, en daar zat niets in.
Het was geen hemel.
Alleen lege handen kunnen iets dragen.
Dit was het diepste punt van het boek, en je bent er nog.
Let op wat er niet is gebeurd. Er is geen god teruggekomen. Er is geen tuin gevonden, en geen plan. De vlam is nog steeds uit. Niemand heeft gezegd dat alles een reden had. Er zijn een kom soep bij gekomen, een geit en een stapel stenen. Meer niet.
Kijk nu omhoog.