Deel 4
Wat er wel is
Het dak
"Kun je rekenen?"
Dat was het eerste wat ze zei. Ze zei het zonder zich om te draaien. Hij was vijf verdiepingen omhoog geklommen, door een huis aan de haven dat naar teer en gedroogde vis rook, en hij stond hijgend op een plat dak, tussen stapels kleitabletten met stenen erop tegen de wind. Het was nacht. Ze lag op haar rug op een plank, een lange magere vrouw met inkt op haar kin, en ze hield een stok met een draad omhoog.
"Ik heb niets anders gedaan sinds mijn zevende," zei hij.
"Wat heb je gerekend?"
Hij dacht aan de leugen over de kruik, de steen naar de hond, de helft van zijn brood.
"Of ik naar het vuur moest."
Nu keek ze wel om. Ze keek hem aan zoals de oude vrouw op de berg had gedaan, alsof ze zijn polsen woog. Toen schoof ze op.
"Kom liggen. Die daar. De rode, onder de drie op een rij. Hoe lang duurt het voordat die de rand van de toren raakt? Tel je hartslag. Niet hardop."
Hij had de hele weg naar de kust een vraag meegedragen, en die op de trap nog geoefend. Wat is er dan? Wat is er wél? Hij had hem klaar.
Hij ging liggen en telde.
Het was het eerste wat hij in meer dan een jaar had gedaan waarvoor hij de hele nacht wakker wilde blijven.
Ze zei niet veel, die eerste weken. Ze gaf hem een plank, een lamp met een rode doek eromheen en een stapel tabletten vol kolommen, en elke ochtend trok ze er met haar duim een streep door, en dan moest hij het overdoen.
Op een middag, midden in de hitte, zette ze een stok rechtop in een pot met zand.
"Hoe groot is de aarde?"
Hij lachte. Ze niet.
"Dat kan niemand weten," zei hij. "Daar zou je omheen moeten lopen."
"Er was een bibliothecaris in Egypte. Die liep nergens omheen. Hij had gehoord dat in een stad ver naar het zuiden, op de langste dag van het jaar, de zon tot op de bodem van een put scheen. Precies om het middaguur. Er was daar geen schaduw. Maar in zijn eigen stad stond op datzelfde moment een stok, zo'n stok als deze, en die had wel een schaduw. Kort, maar hij was er. Waarom?"
Hij keek naar de stok. Hij keek naar de streep in het zand.
"Omdat de zon ergens anders staat."
"De zon staat overal even ver. Veel te ver om daar iets aan te veranderen. Denk na. Twee stokken, op één dag, één zon, en de ene heeft een schaduw."
Hij bleef zitten tot zijn nek brandde.
"Omdat de stokken niet dezelfde kant op staan," zei hij langzaam. "Omdat de grond krom is."
Ze knikte, en voor het eerst zag hij tanden.
"Hij mat de schaduw. Eén vijftigste van een cirkel. Hij huurde mannen die de afstand tussen de steden in passen konden tellen. Dat maal vijftig. Dat is alles. Een stok, een schaduw, en iemand die vroeg waarom. Hij zat er bijna niet naast. Een bibliothecaris, in zijn eigen stad, zonder ooit een voet op een schip te zetten, heeft de hele wereld gemeten."
De jongen staarde naar de pot met zand. Het leek hem het brutaalste wat hij ooit had gehoord. Mensen hadden hem verteld over goden die de bergen verzetten. Niemand had hem verteld dat iemand met een stok de hele aarde in zijn hand had genomen, en dat hij gelijk had gehad.
"Wie heeft hem dat verteld?" vroeg hij. "Wie zei dat het zo was?"
"Niemand," zei ze. "Dat is het mooie. Probeer het zelf maar."
Met een stok en een schaduw heeft iemand de aarde gemeten. Geen god heeft het hem gezegd.
Waarom is het kleinste woord dat de aarde ooit heeft opgetild.
Het oude licht
Die winter leerde hij kijken.
Ze liet hem zien hoe een schip niet kleiner wordt tot het weg is, maar van onderen verdwijnt: eerst de romp, dan het zeil, dan de top van de mast. Ze liet hem zien dat de vijf dwaalsterren hun eigen weg gingen, en dat de maan niet zelf licht gaf maar het leende. Dat had een Griek al bedacht, die dacht dat de zon een gloeiende massa metaal was. Daarvoor hadden ze hem de stad uit gezet.
"Is dat niet gevaarlijk?" zei de jongen. "Dit hier? Dat je dat allemaal zegt?"
"Heb je iets anders te doen?" zei ze.
Op een heldere nacht kwam hij aan de trap met zijn lamp, en zij zat rechtop, wat ze bijna nooit deed.
"De man op de markt," zei hij. Hij had haar over de lamp verteld. "Hij zei: het licht van een ster doet er ook lang over. Wat bedoelde hij?"
"Dat is de eerste slimme vraag die je stelt."
Ze wees naar een bliksemflits, ver op zee, zonder geluid. Ze telde op haar vingers tot er zacht gedonder kwam.
"Je ziet het nu. Je hoort het straks. Het geluid doet erover. Waarom zou licht niet ook onderweg zijn, alleen sneller? Stel dat het zo is, en dat die sterren zo ver weg staan als ik denk."
Hij keek omhoog, en toen begreep hij het, en hij kreeg het koud op een manier die niets met de nacht te maken had.
"Dan is dat niet nu," zei hij. "Wat ik zie."
"Nee."
"Dan is dat van vroeger. Sommige. Dan kijk ik... Dan kan het zijn dat ze er niet meer zijn."
"Lang voordat de stad er stond. Lang voordat iemand woorden had. Er hangt geen enkel nu boven je hoofd, rekenaar. Het is allemaal post, en de afzender kan dood zijn."
Ze ging weer liggen.
"Sterren sterven," zei ze. "In China, waar ze alles opschrijven, verscheen eens een ster waar er geen was. Een gast, noemden ze hem. Hij was zo fel dat ze hem drie weken lang overdag konden zien, en bijna twee jaar 's nachts. Toen was hij weg. Niemand had hem gezien komen. Wat er heel lang geleden gebeurd was, kwam daar pas aan."
Elke ster die je ziet, is een brief van iemand die misschien niet meer leeft.
De ruimte ging open, en hij viel erin.
Dat gebeurde hem op het dak, in de stilste uren. Hij had het in de woestijn voelen beginnen, en op de pas. Eerst was de aarde een bol, die hij kon zien met zijn verstand: de stad een schilfer eraan, de zee een vochtige plek. Dan was de zon een ster, en de sterren waren zonnen, en daarachter kwamen er meer, en daar was geen rand aan. Hij klemde zijn handen om de plank.
Hier ben ik niets, dacht hij. Dit was de lege hemel weer, maar dan zonder eind. Al zijn gerekende nachten, en de vermoeide ogen van de Hoeder, en de stenen op het plein, en de koorts, en de naam die hij niet had durven zeggen: het was een stofje op een stofje, en niemand had het ooit opgemerkt.
"De eeuwige stilte van deze oneindige ruimtes maakt mij bang," zei ze, naast hem, zonder dat hij iets had gezegd.
Hij draaide zijn hoofd. Ze keek gewoon omhoog.
"Dat schreef iemand op die ik zeer bewonder. Een rekenaar, net als jij. Hij hoorde zijn eigen hart ook op zo'n dak. Weet je wat hij erachteraan schreef? De mens is maar een riet. Het zwakste in de natuur. Er is geen heelal nodig om hem te doden, een druppel water is genoeg. Maar het is een riet dat denkt. Als het hele heelal hem zou verpletteren, zou hij nog altijd meer zijn dan wat hem doodde. Want hij weet dat hij sterft. Het heelal weet daar niets van."
Ze wees naar boven, met de stok.
"Dat daar is ontzaglijk, en het weet niet dat het ontzaglijk is. Het weet niet hoe groot het is. Er is daar niemand die het weet, voor zover we kunnen kijken. Het enige dat ooit naar die ster heeft gekeken en heeft gezegd: wat ben jij mooi, ligt hier op een plank, met kramp in zijn been."
Hij bleef liggen. Zijn hart ging langzamer.
Aan de stilte was niets veranderd. Er was niets bijgekomen. Maar hij had de hele tijd aan de verkeerde kant gestaan. Hij had omhoog gekeken om te zien of er iets terugkeek. Nu keek hij omhoog omdat hij het kon.
Het heelal weet niet hoe groot het is. Jij wel.
De ijzeren steen
Onder in het huis woonde de vroedvrouw. Ze was klein en breed, en ze was al even oud als de sterrenkijkster, en die twee hadden al veertig jaar ruzie over de trap.
"Zij kijkt omhoog," zei de vroedvrouw, "en ik kijk tussen de benen. Raad maar wie er meer heeft gezien."
Op een regenachtige avond, toen er toch niets te zien was, zaten ze met z'n drieën bij haar vuur, en de sterrenkijkster legde iets op tafel, dat ze in een doek had meegedragen. Het was zo groot als een vuist, zwart, met deuken erin als duimafdrukken, en toen hij het optilde, viel het bijna uit zijn hand. Zo zwaar kon een steen niet zijn.
"Mijn vader kreeg dit van een herder," zei ze. "Die had het zien vallen. Een streep licht, en een klap in de heuvels, en de grond was warm. Er zijn koningen in Egypte die met een dolk van dit spul begraven zijn. Ze noemden het ijzer uit de hemel. Voordat iemand ijzer kon smelten, was dit bijna het enige ijzer dat er bestond. Het viel."
Hij draaide het om. Het was koud, en het voelde onbeschoft echt.
"Dus het komt van boven."
"Het komt van daar. Hetzelfde spul. Ik kan het vastpakken en ik kan ernaar slaan, het is niet van een god, het is een steen. Geef je vinger eens."
Hij stak zijn vinger uit. Ze trok een mes van tafel en prikte erin voor hij kon bewegen.
"Au!"
"Lik eraan."
Hij stopte hem in zijn mond, vol woede. En toen veranderde zijn gezicht. Hij had dat zijn hele leven gekend. Elke gebarsten lip, elke vechtpartij.
Ze duwde de steen naar hem toe.
Hij bracht zijn tong aan het ijzer. Koud, en dezelfde smaak.
Niemand zei iets. Het regende op de luiken.
"Ik weet niet wat dat betekent," zei de sterrenkijkster. "Ik weet het echt niet. Ik heb dertig jaar geen hoofd gehad voor iets anders. Ik zei tegen die vrouw op de berg dat ze geen idee had waar haar stenen van waren gemaakt. Dat heb ik ook niet. Maar ik proef het."
Proef je bloed. Dat is de smaak van wat er uit de hemel viel.
Ze wist het niet. Wij weten nu meer, en wie na ons komt, zal meer weten dan wij. Dit is het verhaal zoals het er nu voor staat, en het mag veranderen.
Alles begon. Heet, dicht en in één keer: alles wat er te zien is, en de tijd zelf. Wat daarvoor was, weten we niet. We weten ook niet of "daarvoor" iets betekent. We zeggen dat eerlijk, en we vullen het niet in.
Er was eerst bijna niets, in heel veel donker: de twee lichtste stoffen die er bestaan, drijvend in flarden, zonder steen en zonder water en zonder iemand. Geen koolstof. Geen ijzer. Er was niets om een hand van te maken.
De zwaartekracht trok de flarden naar elkaar toe. Ze werden dichter, en heter, tot er ergens in het donker iets vlam vatte. Dat waren de eerste sterren.
Een ster is een oven. In de hitte van het binnenste worden kleine dingen samengeperst tot grotere, en daar, en nergens anders, werden de stoffen gemaakt die er eerder nooit waren geweest. Ze brandden miljoenen jaren. Toen raakten ze op. En sommige gingen niet stilletjes: ze barstten open, feller dan al hun zusters bij elkaar, en wierpen alles wat ze hadden gesmeed de ruimte in.
Daar kwamen nieuwe sterren uit, die weer stierven. Generaties. Elke ster at de as van de vorige.
Uit die as, heel lang daarna, ballen een zon en een aarde samen. Geen plek die voor ons bedoeld was. Gewoon een plek waar het kon.
Het ijzer in je bloed is in zo'n ster gemaakt. De kalk in je tanden. De lucht die je nu inademt. En wat er in jou niet uit een ster komt, is nog ouder: dat is er sinds het begin. Je bent niet naar deze wereld gestuurd. Je bent er een stuk van, dat is opgestaan en om zich heen kijkt.
Zo zijn we er tot op de dag van vandaag achter gekomen: met stokken, schaduwen, en mensen die vroegen waarom. Dit is de enige schepping die je zelf kunt nakijken.
Stel dat alle tijd die ooit is geweest één jaar duurt. Als twee derde van dat jaar voorbij is, ontstaat de aarde. Kort daarna, op een plek die we niet kennen, op een manier die we niet weten, begint er iets te leven, en het houdt niet meer op. De vissen komen pas in de laatste weken, de bloemen in de laatste dagen. Dan, op de laatste avond van het jaar, als er nog maar zoveel tijd over is als je nodig hebt om een brood te kneden, staat er een mens op. Elk heilig boek, elke koning, elke oorlog, alles wat ooit is opgeschreven, past in de laatste drie ademhalingen.
Dat is hoe klein we zijn. Lees het nog eens en bedenk wat het zegt: het heeft bijna een heel jaar geduurd om iemand te maken die dit kan lezen.
Je bent niet naar de wereld gestuurd. Je bent de wereld, die is opgestaan en om zich heen kijkt.
Dit is de enige schepping die je zelf kunt nakijken.
Waar het vandaan komt, weten we niet. Dat is geen gat om iets in te stoppen.
De druppel
"Je hebt lang genoeg de verkeerde kant op gekeken," zei de vroedvrouw.
Ze hield hem een stukje koper voor, zo klein als een vingernagel, met een gaatje erin, en in het gaatje een glazen kraal. Ze had het van een lakenkoper, die er de draden van zijn stof mee telde. Ze doopte een speld in het water van de goot en liet één druppel voor de kraal hangen.
"Houd het tegen het licht. Dicht bij je oog. Dichterbij."
Eerst zag hij zijn eigen wimpers. Toen sprong er iets in beeld.
Hij deed het ding met een ruk naar beneden, keek naar de speld, keek naar de vroedvrouw, en bracht het weer naar zijn oog.
Het wemelde. In de druppel gingen dieren. Ze schoten heen en weer, doorzichtig, met haartjes die sloegen. Eentje draaide om zijn as. Een ander at een kleinere. Ze waren er al die tijd geweest. In de goot. In de drinkbak. Overal waar hij had geleefd, was dit bezig geweest, en niemand had het ooit gezien, en ook niemand had het ooit verboden.
"Dat zit daar gewoon?" zei hij.
"Dat zit daar gewoon. Zij vindt geen dak." Ze knikte in de richting van de trap. "Ik vind geen bodem. Zo liggen we ertussen. Leg het neer, trek je schoenen aan, de vrouw van de kuiper heeft weeën."
Hij had nog nooit iemand geboren zien worden.
Het duurde de hele nacht. Hij droeg water, en hij hield een lamp vast, en hij deed wat er werd gezegd, en hij wist niet waar hij kijken moest. Hij had altijd gedacht dat het mooi zou zijn. Het was bloed en schreeuwen, en de geur van een slachthuis, en een vrouw die gebroken leek te worden, en tegen de ochtend gleed er iets paars en glibberigs in de handen van de oude vrouw, dat niet bewoog.
Ze deed iets met haar vinger in het mondje. Ze wreef over de rug. Eén tel. Twee.
Toen trok het hele kind zich samen en begon te krijsen, kwaad, op de hele wereld.
De vroedvrouw legde het op zijn moeder. Ze waste haar handen. Toen het stil werd, nam ze de hand van de jongen en stak zijn wijsvinger in de kleine natte vuist, en de vuist sloot zich.
Hij schrok van de kracht. Dit wezen kon zijn hoofd niet houden. Het wist niet dat het armen had. En het hield hem vast alsof het van een rots hing.
"Die houden allemaal vast," zei ze. "Elk kind, op zijn eerste dag. Ik heb geen idee waarom ze dat zo goed kunnen. Vraag het haar maar, boven."
Wij denken het nu ongeveer te weten, al is daar nog onenigheid over. Het is een oude greep. Het is de hand van een kind dat zich vasthield aan de vacht van een moeder die lang geleden leefde, in bomen waar nu niemand meer is. Ze zijn allemaal nog in je, die moeders. Je hebt er één gehad, en die had er één, en die ook, en die lijn loopt zonder één onderbreking terug: langs de mensen die de eerste vuren stookten, langs wezens die je geen mens zou noemen, langs alles wat ooit het water uit kroop, tot aan iets in een druppel. Elke boom is familie van je. Elke vlieg. Daar is geen muur in gevonden.
En niet één van hen stierf voordat ze een volgende had gemaakt. Niet één. Alle kans ging tegen hen in, de honger, de kou, de tanden, de koorts, en toch is er aan die ketting geen schakel gebroken. Anders was jij er niet.
Je stamt af van niemand anders dan van wie het gehaald heeft.
Er is geen muur gevonden tussen jou en de rest van wat leeft.
Ze liepen terug in het eerste licht, langs de netten. Hij had bloed op zijn mouw. Hij was zo moe dat alles scherp was.
"Hoeveel heb je er gehaald?" vroeg hij.
"Ik ben ermee opgehouden te tellen bij vierduizend."
"En zijn ze niet allemaal hetzelfde? Na vierduizend?"
Ze bleef staan en keek hem aan alsof hij iets had gezegd wat ze al heel lang niet meer had gehoord. Ze haalde een munt uit haar schort en hield die omhoog.
"Hoeveel kan een koning hiervan maken met één stempel?"
"Zo veel als hij wil."
"En die zijn allemaal hetzelfde. Dit stond bij de Joden, in de oude wet, voor de rechtbank. Als een koning munten slaat met één stempel, zijn ze allemaal gelijk. Maar alle mensen zijn geslagen met de stempel van de eerste mens, en er is er niet één gelijk aan een ander." Ze stopte de munt weg. "Ze zeiden het tegen getuigen, in zaken van leven en dood, om ze bang te maken. Wie één mens doodt, vernietigt een hele wereld. Wie er één redt, redt een hele wereld. In het boek van de moslims staat bijna hetzelfde."
Hij dacht aan de oude vrouw met haar kist, en hij kon het niet laten.
"Staat dat er echt? In de oudste afschriften?"
"Nou zeg." Ze lachte, helemaal verbaasd. "Dat weet ik niet. Ik heb wel eens gehoord dat er in de latere boeken iets bij staat. Niet één mens, maar één uit ons volk. Dat iemand het kleiner heeft gemaakt."
Hij knikte. Hij kende die hand.
Ze liepen door. De stad werd wakker. Een man gooide een emmer leeg, twee vissersvrouwen schreeuwden om een mand, een oude bedelaar krabde aan zijn enkel. Hij woonde hier nu bijna een jaar. Hij had dit elke dag gezien.
Hij keek naar de bedelaar. Daar zat iemand achter. Daar was alles: de geur van één keuken, een liedje dat niemand meer kende, de straat van vroeger, het gezicht van een moeder. Een hele hemel met eigen sterren, die er niet zouden zijn als die man ze niet had. Niemand zou daar ooit in kunnen kijken. En daarnaast de vrouw met de mand, nog zo een. En nog een. De kade liep vol werelden, die tegen elkaar botsten om een mand.
"Wat is er?" zei ze.
Hij kon geen antwoord geven. Hij had zijn zusje gezien, onder de deken. Die ook. Daar had nog een hele wereld gelegen.
Hij begreep ineens wat hij had gezegd, op de splitsing, met een ui in zijn hand. Hij had gezegd: niemand.
Elk mens is een hele wereld.
Vanmorgen ging ergens een wereld uit, en de markt ging gewoon open.
Wees voorzichtig met elkaar. Hier loopt een hele wereld.
De schaduw
De tabletten waren oud, en ze kwamen uit een land tussen twee rivieren. Er hadden daar priesters gezeten die eeuwenlang elke nacht opschreven wat de hemel deed, voor koningen die bang waren. Ze hadden nooit geweten waarom. Maar ze hadden geteld, en na heel veel tellen hadden ze iets gezien: na tweehonderddrieëntwintig manen komt de duisternis terug.
De jongen had geen tabletten meer nodig om te weten wat er stond. Hij deed nu de lange kolommen zelf, in zijn hoofd, en ze trok er bijna geen strepen meer door. Op een avond aan het begin van de lente kwam hij aan het eind van een kolom, en hij bleef zitten. Hij deed het opnieuw. Hij liep ermee naar haar plank.
"De zon," zei hij. "Hier. Over vier manen. Drie keer die lange tijd. Dan komt hij terug op dezelfde plek van de aarde en op hetzelfde uur."
Ze las het drie keer. Daarna ging ze de trap af, wat ze anders nooit vrijwillig deed.
De vroedvrouw zat haar kousen te stoppen. De sterrenkijkster legde het tablet op tafel, en zei: "Ik reken op vierenvijftig jaar en een maand. Weet jij daar iets van?"
Het stopwerk bleef stilliggen. Het duurde lang voor de oude vrouw iets zei.
"Ik was dertien," zei ze.
Ze had nog nooit iets gezegd over die dag. Hij zag dat zelfs de sterrenkijkster het niet kende.
"Mijn moeder was vroedvrouw. Ik droeg haar tas. De zon ging uit, midden op de dag, zonder enige waarschuwing, en de hele stad lag op zijn knieën en gilde. En in die donkerte kreeg de vrouw van een visser een kind, een meisje. Mijn moeder gaf het aan mij om vast te houden. Ik stond ermee in de deuropening. Ik wist niet wat ik moest doen, dus ik telde. Om niet te gillen. Ik was tot honderdtachtig toen het licht terugkwam."
Ze keek naar haar handen.
"Dat kind was in het donker geboren. Dat was een teken, zeiden ze. Wat de zon had gedood, moest niet leven. De oude wet van de haven, nooit opgeschreven. Ze haalden het uit mijn armen. Ze legden het op de klippen, voor het tij. Haar vader hielp."
Niemand bewoog. Het vuur zakte in elkaar.
"Over vier manen," zei de vroedvrouw. "Weet je wie er over vier manen moet bevallen? De vrouw van de nettenboeter. Haar eerste. Ik heb het gisteren nog gevoeld."
De sterrenkijkster ging naar de havenmeester.
De jongen ging met haar mee. De havenmeester was een dikke, slimme man met ringen aan zijn duimen, en hij luisterde tot het eind.
"Je wilt op de markt gaan staan," zei hij, "en zeggen dat de zon uitgaat. Op die en die dag."
"Ik wil dat iedereen het weet. Een teken is iets wat je overvalt. Wat je vooraf kunt uitrekenen, is geen teken. Dan is het een schaduw. Het is de maan, die ervoor langs schuift. Ik wil dat er op die dag geen kind op de klippen gaat."
"En als de dag komt, en de zon schijnt?"
Ze aarzelde. De jongen zag het, en het ging door hem heen. Hij wist wat ze ging zeggen, want hij had het zelf uitgerekend.
"Dan had ik het mis," zei ze. "Dat kan. De dag weet ik zeker. Het uur denk ik te weten. Maar of de schaduw precies over deze stad gaat, of honderd mijl naar het noorden over de zee, dat zeggen die tabletten niet. Ik weet niet alles."
De havenmeester leunde achterover.
"Dat is de domste zin die je kon zeggen," zei hij. "De tempel heeft nooit ongelijk. Dat is het hele voordeel van de tempel." Hij bekeek zijn duimen. "Goed. Ga maar op de markt staan. Schijnt de zon, dan ga jij van de kade, met je stenen, en je komt nooit meer terug. En gaat hij wel uit?" Hij keek haar voor het eerst aan. "Dan heb jij het gedaan. Jij hebt het geweten. Wie denk je dat ze dan gaan halen?"
Op de terugweg zei de jongen: "Waarom zei je dat?"
"Wat?"
"Dat je het niet zeker wist. Je had het zo kunnen zeggen. Dat had hij geloofd."
Ze bleef staan, midden tussen de manden. Ze was nu echt kwaad.
"Dat is het enige verschil," zei ze. "Hoor je me? Het enige. De man op de berg met zijn licht kan niet ongelijk krijgen. De tempel kan niet ongelijk krijgen. Maar ik heb een dag genoemd. Daar kan de hemel nee op zeggen. Ik sta op die markt en ik geef de wereld de kans om mij voor schut te zetten, en als die dag komt, en er gebeurt niets, dan was ik een dwaas, en dan zal ik dat zeggen, en dan gaan we kijken waar het fout zat. Dat is alles wat ik heb. Dat is alles wat iemand heeft. Wat niet fout kan zijn, is niets waard."
Wat niet fout kan zijn, zegt niets.
Weten begint waar je de hemel de kans geeft om nee te zeggen.
Ze ging op de markt staan. Ze zei het. Ze lachten, en de tempel schudde het hoofd, en de vrouw van de nettenboeter werd dikker. Daarna lachten ze niet meer zo hard, want de dag kwam dichterbij. Op de stoep van het huis lag op een morgen een dode rat met een touw om zijn nek. De jongen rekende alles nog een keer na, en nog een keer. Hij werd weer wakker om te rekenen. Maar ergens in die weken viel het hem op dat hij er bijna blij mee was. Hij was niet bang voor wat de uitkomst over hem zou zeggen. Hij wilde het weten.
Op de avond voor de dag kwam de vroedvrouw de trap op, alle vijf de verdiepingen, wat ze nog nooit had gedaan. Ze bleef in het trapgat staan, buiten adem.
"Het vruchtwater is gebroken," zei ze.
De dag
De morgen kwam blauw en leeg en zonder één wolk.
De hele stad deed alsof ze niets verwachtte. De kramen stonden op de markt. Maar ze waren te stil, en de mensen keken te vaak omhoog, en de havenmeester had zijn mannen op de kade gezet. Op het dak stond de sterrenkijkster met haar stok en haar pot met zand. Ze had de hele nacht niet geslapen en ze zag eruit als een oude adelaar.
"Kijk er niet in," zei ze. "Pas als hij helemaal weg is, en anders nooit. Daar word je blind van, hoe donker het ook lijkt. Neem de graanzeef van beneden mee, en ga naar het plein. Daar heb je mensen nodig. Hier heb ik alleen de hemel."
"Het is nog niet zover."
"Het begint voor de schaduw van de stok de rand van de pot raakt, of nooit. Rekenaar." Ze pakte zijn pols, dat had ze nog nooit gedaan. "Als er niets gebeurt, kom je gewoon terug en dan beginnen we opnieuw. Afgesproken?"
Hij rende. In de kamer onder aan de trap klonk de stem van de vroedvrouw, kalm, en een andere stem, die niet kalm was.
Het plein lag vol scherp licht. Hij stond bij de bron, met de zeef onder zijn arm, en hij hoorde zijn hart. Er liep een hond langs. Een man met een mand bleef staan en keek hem aan. Er gebeurde niets.
Er gebeurde niets.
Toen zei een oude vrouw naast hem: "Het is koud."
Het licht was niet minder geworden, maar er was iets mis mee, zoals met een gezicht dat iemand anders is gaan worden. De schaduwen waren te scherp. De kleur ging uit de stenen. Een duif landde op de rand van de bron en wist het niet meer. Mensen begonnen omhoog te wijzen, en ze knepen hun ogen dicht, en iemand op de tempeltrap begon te roepen.
Hij hield de zeef omhoog, boven de grond, in de zon, en hij keek omlaag.
Hij wist dat het zou kunnen. Dat had ze hem voorgedaan, met een gat in een doek, op de zon van een gewone dag. Maar hij had het zelf nog nooit gezien, en zijn adem stokte.
Op de stenen lagen honderd kleine zonnen, elk door een gaatje in de zeef geworpen, in rijen. En uit elk van hen was een hap genomen.
"Kijk!" schreeuwde hij. Zijn stem brak. "Kijk naar de grond! Niet omhoog! Kijk naar de grond!"
De man met de mand kwam het eerst. Dan de oude vrouw. Dan een kind, dat zijn hand tussen de zonnetjes stak. Honderd sikkels van licht, die allemaal tegelijk dunner werden. Een boom langs het plein liet er duizenden vallen, door zijn bladeren, over de muren, over de gezichten, en nu zagen ze het allemaal, overal, op hun armen, op de borst van de man naast hen.
"Hij is niet ziek!" riep de jongen. "Hij is rond! Hij is nog helemaal rond! Er schuift iets voor! Het is de maan, het is een schaduw, dat heeft ze gezegd, op deze dag heeft ze het gezegd!"
Het werd zo snel donker alsof iemand een deken over de stad trok. Over de zee kwam iets aanrennen, een muur van donkerblauw, zonder enig geluid. De zeef viel uit zijn handen. Er ging een kreet op uit de hele stad tegelijk, en hij keek omhoog, want nu mocht het, en daar was een gat in de hemel.
Zwart, en perfect rond, met een witte krans van licht, die eromheen stond als haar in het water. En eromheen, midden op de dag, de sterren.
Mensen vielen op hun knieën. Op de tempeltrap gilde iemand iets, en het ging van mond tot mond, de steeg in. Er wordt een kind geboren in het donker. Daar. Bij de nettenboeter. Ze wisten het, natuurlijk wisten ze het, iedereen wist alles in deze stad. Hij zag mannen overeind komen en de steeg in draaien, en ze hadden die gezichten. Hij had die gezichten gezien op een ander plein.
Ik heb niets, dacht hij. Ik heb geen boek. Ik heb geen god om hier te noemen, ik ben niet die oude vrouw, ik heb niets in mijn handen.
Hij had één ding, en dat had hij al sinds hij zeven was.
Hij sprong op de rand van de bron.
"EEN!" schreeuwde hij.
Ze keken om.
"TWEE! Telt mee! Drie! Dit duurt honderdtachtig! Het is eerder gebeurd! Vier! Er is hier iemand die het geteld heeft! Vijf! Bij honderdtachtig komt hij terug! Zes! Zeven! Tel dan! TEL DAN!"
Het klonk belachelijk, alleen, zijn kleine stem in die ontzaglijke donkerte. Elf. Twaalf. De mannen bij de steeg stonden stil. Vijftien. De oude vrouw naast de bron had hem aangekeken en haar mond bewoog. Zeventien. Het kind dat met zijn hand tussen de zonnetjes had gezeten, riep achttien.
Negentien, zei de man met de mand.
Hij wist nooit hoe het gebeurde. Dertig. Het kwam van de trappen. Veertig. Het kwam uit de ramen. Vijftig. Mensen die niet wisten wat ze moesten doen, en die bang waren, doodsbang, en hier was iets om te doen. Zestig. Zeventig. De hele stad op zijn knieën en het telde, in het pikdonker, onder de sterren, midden op de dag, op de maat van zijn stem. Hij had zijn leven lang gerekend uit angst. Honderd. Hij had nooit geweten dat je het andersom kon doen. Honderdtwintig. Hij had geen idee of het klopte. Ze had gezegd dat ze het niet wist. Een meisje van dertien met een kind in haar armen, vierenvijftig jaar geleden, om niet te gillen. Honderdvijftig. Honderdzestig.
Honderdzeventig.
Honderdvijfenzeventig. Zijn stem was weg, en de stad droeg hem.
Honderdachtenzeventig.
Honderdtachtig.
Er gebeurde niets.
Het getal hing boven het plein, in het donker. Het tellen stokte, hier en daar. Iemand begon te snikken. Er draaiden hoofden naar de steeg.
"Honderdeenentachtig," fluisterde hij. Hij kreeg het er niet uit. "Honderd..."
Aan de rand van de zwarte schijf sprong één druppel licht tevoorschijn.
Het was zo fel dat het pijn deed, en de hele stad schreeuwde. Er was geen ander woord voor. Het was geen bidden en geen juichen, het was gewoon wat er uit mensen komt. Het licht kwam over de zee aanrennen. De duif vloog op. Ergens begon een haan te kraaien, helemaal in de war. En in de stilte daarna, toen de ademhaling van de hele stad nog boven het plein hing, kwam er uit een open raam in de steeg een nieuw geluid, dun, nijdig en heel erg in leven.
Wie bang is, kan tellen. Tel dan samen.
Er staat niemand aan het roer. Het klopte toch.
Ze legden geen kind op de klippen. Niet die dag.
Dat kwam niet doordat ze allemaal iets hadden begrepen. Tegen de avond liep de tempel vol, en de priester zei wat er gebeurd was: de stad had op zijn knieën gelegen, en de goden hadden de zon teruggegeven. Veel mensen knikten. Ze hadden immers iets gedaan in het donker, en het was weer licht geworden. De sterrenkijkster zat op haar dak met haar voeten over de rand, en toen ze het hoorde, lachte ze tot ze moest gaan liggen. De havenmeester stuurde een vat wijn en verder geen woord. En die nacht lag er nog een rat op de stoep.
Maar de vader van het kind kwam naar het plein, de nettenboeter, een grote stille man, met zijn muts in zijn hand. Hij vroeg wie er had geteld.
Hij nam de jongen mee, het huis in. Het rook er naar bloed en naar zweet. De vroedvrouw zat op een kruk tegen de muur met haar ogen dicht, en leek in één dag tien jaar ouder. Ze deed ze open, ze keek naar hem, en ze zei niets. Hij zag haar vingers bewegen op haar knie: honderdtachtig.
"Geef het hem maar," zei ze tegen de moeder.
Het was een meisje. Het kwam in zijn armen terecht als een warm brood. Het had zwart haar, en het had een rimpel tussen de ogen, en het keek langs hem heen, naar het licht, zonder iets te weten van de zon, of van de steeg. Hij had iets in zijn handen.
Hij stond heel stil. Hij durfde niet te ademen.
Hij had gezocht aan het eind van een rivier. Hij had gezocht in een kist. Hij had op de top van een pas gestaan en gewacht tot de hemel iets zou zeggen. En hier was het de hele tijd geweest, dit, gewoon, tussen de netten: dat er iets was. Dat er geen enkele reden was waarom er iets moest zijn, en dat het er toch was. Sterren die stierven, en as, en een ketting van moeders. Een hele wereld die vanmorgen nog niet bestond. Die woog bijna niets. Hij voelde het gewicht ervan tot in zijn knieën.
Niemand had hem iets beloofd. Er was geen tuin bijgekomen. De vlam ging nog steeds nergens heen, en deze vlam ook niet, op een dag. Dat wist hij. Hij stond hier en hij wist het.
Hij begon te huilen, en het kon hem niet schelen wie het zag. Daar was de honing.
Het kind greep zijn vinger.
Er is geen reden waarom er iets is. Het is er toch. Begin daar.
Wat je is gegeven, kan je worden afgenomen. Daarom is het zo zwaar in je armen.
Wat hij meenam
Op zijn laatste avond op het dak liet ze hem de stok zien.
"Die neem je niet mee," zei ze. "Maak je eigen."
Hij had het die middag gezegd. Hij was een hele tijd bezig geweest om het te zeggen. Dat hij naar huis ging. Dat er nog iemand op hem wachtte, misschien. Dat hij er eindelijk niet meer met lege handen zou aankomen. Hij wist nu wat hij zijn zusje wilde vertellen: dat er geen schaal stond, en dat het hem speet. En dat ze een hele wereld was. Dat ze van de sterren kwam en dat haar koorts geen straf was geweest, en dat het brood dat ze onder haar kleren had gedragen, het enige was dat ertoe deed in die hele winter. Hij had zijn hele leven lang gedacht dat iemand dat moest wegen. Nu dacht hij dat het gewoon wáár was.
De sterrenkijkster had geknikt, en de strepen van de dag doorgetrokken.
"Vertel me nog één ding," zei hij nu. "Is dat het? De zin van dit alles? Dit?" Hij wees omhoog.
"Daar staat geen zin," zei ze. "Ik heb er dertig jaar naar gekeken. Het is niet voor jou, en het is ook niet tegen jou. Het wil niets. Wat je daar ziet, is het hout."
Ze tikte hem tegen zijn borst met de stok, niet zacht.
"De wereld heeft geen doel. Jij kunt er een hebben. Dat is iets anders. Wat doet die kleine, de hele dag? Die heeft van de sterren niets meegekregen, en kijk hoe ze haar hand dichtknijpt."
Hij lachte, en keek naar de lichten van de haven.
Op de kade lag een schip dat naar het oosten voer. De reis naar huis kostte meer dan hij had. Dat gaf niet. Er was een grote havenstad onderweg, een week varen, en iemand had hem verteld hoe je daar aan geld kwam. Hij zag het allemaal voor zich. Hij was goed in getallen.
Hij was de beste die hij ooit had gekend. Hij had de zon voorspeld. Een hele stad had op zijn stem geteld. Hij stond op een dak met het hele heelal boven zich, dat hij met een stok kon meten, en hij dacht, voor het eerst in zijn leven, dat er niets meer was dat hij niet kon uitrekenen.
Het was de gevaarlijkste gedachte die hij ooit had gehad.
Kijk nu op van dit boek.
Niet naar de hemel. Dat komt nog wel. Kijk naar wat er voor je staat. Iets wat je met je hand kunt aanraken, een tafel, een stuk brood, je eigen arm.
Dat bestaat.
Het had er niet hoeven zijn. Er is geen reden voor. Alles wat er ooit is gebeurd, elke ster die stierf en elke moeder die het haalde, is nodig geweest om nu hier jou te laten zitten, en jij kunt het zien. De sterren kunnen dat niet.
Het leven heeft geen doel van zichzelf meegekregen, en het is de moeite waard. Die twee zinnen staan niet tegenover elkaar. De ene gaat over de wereld, en de andere gaat over jou.
Waarom het de moeite waard is? Dat moet nog blijken. Je hebt je kaarten nog niet eens gezien.